Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07-4231 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering: verwijtbaar werkloos. E-mail met kwetsende uitlatingen over een collega en een leidinggevende.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/203

Uitspraak

07/4231 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 juli 2007, 06/6585, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.F. Rozendaal-van de Ven, werkzaam bij De Unie te Capelle aan den IJssel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Rozendaal-van de Ven, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.K. Pouwelse, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellante was vanaf 1 maart 2002, laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam bij de [naam werkgever] (hierna: de werkgever) in de functie van telefoniste/receptioniste. Volgens de werkgever vervulde zij die functie naar behoren. Op 16 januari 2006 heeft appellante vanaf haar werkplek een e-mail beantwoord van een collega die tot haar uitdiensttreding per 1 februari 2006 was vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. Appellante beschrijft in die e-mail de situatie op het werk en laat zich laatdunkend uit over collega [naam collega] en een leidinggevende. De e-mail is onder ogen gekomen van [naam collega], die tot 1 februari 2006 toegang had tot de mailbox van de vertrekkende collega. Vervolgens is de e-mail aan de orde gesteld in een al gepland gesprek op 19 januari 2006 tussen appellante, het hoofd facilitaire zaken en een medewerker van P&O. Appellant heeft in dat gesprek haar excuses gemaakt voor de e-mail en aangekondigd haar best te zullen doen om het geschonden vertrouwen te herstellen. Zij toonde zich daarnaast verontwaardigd over het feit dat de e-mail boven water was gekomen en uitte kritiek over het functioneren van [naam collega]. De werkgever heeft de vertrouwenspersoon van de arbodienst verzocht om een onderzoek naar de mogelijkheden voor bemiddeling. Omdat collega [naam collega], in tegenstelling tot appellante, geen heil zag in een bemiddelingspoging, heeft de werkgever geconstateerd dat sprake was van een onherstelbare vertrouwensbreuk en de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met appellante te ontbinden. Bij beschikking van 20 maart 2006 is de arbeidsovereenkomst per 1 april 2006 ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 9.194,28 bruto aan appellante.

2.2. Op 19 april 2006 heeft appellante een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 18 mei 2006 heeft het Uwv aan appellante de uitkering per 1 mei 2006 bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd op de grond dat zij zich verwijtbaar heeft gedragen tijdens haar dienstbetrekking en dat zij had kunnen weten dat haar gedrag tot haar ontslag zou leiden. Het besluit van 18 mei 2006 is, na gemaakt bezwaar, bij besluit van 11 juli 2006 gehandhaafd. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de e-mail, in het midden gelaten of deze een privékarakter had en of het briefgeheim is geschonden, heeft geleid tot een ernstige vertrouwensbreuk met de leidinggevende van appellante. Dat de werkgever geen internetprotocol heeft en privé e-mailen vanaf het werk was toegestaan doet niet ter zake. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat, wanneer de inhoud van de e-mail bekend zou worden bij haar leidinggevende, dit tot een vertrouwensbreuk zou kunnen leiden en tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante door het sturen van de e-mail het risico genomen dat de inhoud daarvan bekend zou worden bij haar leidinggevende en de genoemde collega. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de

e-mail was gericht aan een collega en dat zij de e-mail op haar werk heeft verstuurd. Gelet op de kwetsende uitlatingen in de e-mail had appellante bovendien kunnen voorzien dat het bekend raken daarvan zou leiden tot een onherstelbare vertrouwensbreuk. Door het versturen van de e-mail heeft appellante zich dan ook verwijtbaar zodanig gedragen dat zij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van haar dienstverband tot gevolg zou kunnen hebben. Hieraan doet niet af dat zij excuses heeft aangeboden en zich bereid heeft verklaard mee te werken aan mediation. Gelet op het grievende karakter van de e-mail kon van de werkgever ondanks de excuses van appellante redelijkerwijs niet worden verlangd om met behulp van mediation te proberen tot een herstel van de ontstane vertrouwensbreuk te komen. Niet is gebleken dat het appellante niet in overwegende mate kan worden verweten dat zij de verplichting om niet werkloos te worden niet is nagekomen. Evenmin is gebleken van dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien.

4. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij met het versturen van de e-mail geen risico heeft genomen omdat uitgaande mail in het bedrijf niet wordt gecontroleerd en privé e-mailen is toegestaan. Onder verwijzing naar de beoordeling van een klacht door de Nationale Ombudsman, gepubliceerd in JAR 2007/10, stelt zij dat de werkgever de

e-mail niet had mogen lezen en dat het briefgeheim is geschonden. Voorts acht appellante de inhoud van de e-mail niet zodanig kwetsend dat die moet leiden tot een onherstelbare vertrouwensbreuk. Naar haar mening had met een goed gesprek alles opgelost kunnen worden. Zij stelt dat zij haar werk altijd naar tevredenheid heeft verricht, dat zich - tijdens haar zwangerschap - één incident heeft voorgedaan, waarvoor zij haar excuses heeft gemaakt die zijn aanvaard, en dat zij alles wat in haar vermogen lag heeft gedaan om er voor zorg te dragen dat zij haar werk weer kon oppakken.

Subsidiair voert appellante aan dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

5.1. In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Naar aanleiding van het hoger beroep overweegt de Raad in aanvulling op die overwegingen het volgende.

5.2. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante, door een e-mail op te stellen waarin zij kwetsende uitlatingen doet over een collega en een leidinggevende en deze vanaf haar werkplek naar een andere collega te zenden, het risico aanvaard dat die e-mail op enig moment bij haar werkgever bekend zou worden en kennisname van de inhoud daarvan tot een onherstelbare vertrouwensbreuk met de werkgever zou leiden. De opvatting van appellante dat de inhoud van de e-mail niet zodanig kwetsend was dat dit moest leiden tot een vertrouwensbreuk die niet meer te herstellen was en dat de werkgever ook op een andere wijze had kunnen reageren, doet naar het oordeel van de Raad geen afbreuk aan het feit dat zij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat haar handelwijze het einde van haar dienstbetrekking zou kunnen meebrengen. Dat de werkgever geen internetprotocol kende en privé e-mailen vanaf het werk toestond, betekent niet dat appellante met het verzenden van de hier aan de orde zijnde e-mail geen risico nam. Ook de grief dat de werkgever het briefgeheim heeft geschonden kan de Raad, daargelaten of hiervan sprake is geweest, niet tot een ander oordeel leiden over de in dit geding te beantwoorden vraag of appellante verwijtbaar werkloos is geworden.

5.3. De Raad ziet ten slotte geen grond voor het oordeel dat het niet nakomen van de verplichting om niet verwijtbaar werkloos te worden appellante niet in overwegende mate kan worden verweten.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

RH