Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1411

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
06-2017 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering. Het Uwv had de aanvraag mede moeten beoordelen aan de hand van de AAW. Geen bijzonder geval.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 3:29
Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen XVI
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/213

Uitspraak

06/2017 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2006, 05/1462 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 29 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.P. Prinsen. Namens betrokkene is mr. Wolter verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Betrokkene, geboren op 8 december 1973, heeft op 9 oktober 2004 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd vanwege sedert 15 maart 1988 bestaande arbeidsongeschiktheid ten gevolge van rugklachten en hoofdpijn.

Namens appellant heeft een verzekeringsarts betrokkene onderzocht. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid op 29 november 2004 vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair vastgesteld op 8 december 1990, de dag waarop betrokkene 17 jaar is geworden. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 29 november 2004 geconcludeerd dat er met betrekking tot betrokkene sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden. Hij is van jongs af aan bekend met lage rugklachten. Er zijn in de loop der jaren diverse onderzoeken verricht waarbij geen afwijkingen aan het licht zijn gekomen. Ook bij lichamelijk onderzoek zijn geen afwijkingen te objectiveren. Er is sprake van chronische aspecifieke rugpijn. Betrokkene dient de rug niet te zwaar te belasten en behoeft een wat afwisselend bewegingspatroon. Hij is volgens de verzekeringsarts geschikt te achten voor allerhande werkzaamheden die aan deze voorwaarden voldoen. In een aanvullende rapportage van 22 februari 2005 heeft de verzekeringsarts naar aanleiding van opgevraagde en ontvangen informatie van de behandelend sector geconcludeerd dat deze informatie geen wijziging brengt in het oordeel zoals uiteengezet in de rapportage van 29 november 2004.

De arbeidsdeskundige heeft blijkens zijn rapportage van 25 januari 2005 onderzoek gedaan naar de voorgeschiedenis van betrokkene, met hem gesproken, overleg gepleegd met de verzekeringsarts en het zogenoemde Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd ten einde voor betrokkene met inachtneming van de FML arbeidsmogelijkheden te duiden. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat, mocht het tot een Wajong-uitkering komen, deze niet eerder kan ingaan dan 9 oktober 2003, een jaar vóór datum aanvraag. Omdat het niet mogelijk is om met betrekking tot het duiden en beoordelen van passende functies terug te gaan tot 8 december 1991 heeft hij op grond van het arbeidsongeschiktheidscriterium zoals dat gold van 1993 tot 2004 passende functies geselecteerd per 24 januari 2005 en door middel van historische raadpleging van het CBBS vastgesteld dat deze functies ook per 9 oktober 2003 hadden kunnen worden geselecteerd. Vergelijking van het voor betrokkene geldende maatmaninkomen met de verdiensten in de voor hem als passend geduide functies resulteert niet in verlies aan verdiencapaciteit, zodat betrokkene niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering.

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft appellant geweigerd aan betrokkene een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat hij op en na 9 oktober 2003 minder dan 25% arbeidsongeschikt is in de zin van die wet. Appellant heeft daartoe overwogen dat rekening houdend met de medische arbeidsbeperkingen betrokkene in staat wordt geacht gangbare werkzaamheden te verrichten. Met deze werkzaamheden zou hij ongeveer 100% kunnen verdienen van hetgeen de aan hem gelijksoortige gezonde persoon zou verdienen, zodat er geen verlies aan verdiencapaciteit resteert.

Bij besluit van 23 mei 2005, hierna: bestreden besluit, heeft appellant het tegen het besluit van 31 januari 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant een onjuiste toetsingsvolgorde heeft gehanteerd door niet eerst het recht op uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) per einde wachttijd - 8 december 1991 - te beoordelen, maar direct te concluderen dat er geen sprake is van een bijzonder geval en vervolgens slechts een arbeidskundige beoordeling uit te voeren per 9 oktober 2003 aan de hand van het CBBS. Bovendien is niet gebleken van enig onderzoek naar de aanwezigheid van een bijzonder geval. De rechtbank acht de gehanteerde volgorde in strijd met de systematiek van de wet, wat geleid heeft tot een onjuiste arbeidskundige beoordeling.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat op goede gronden is aangenomen dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Voorts zijn er in bezwaar voldoende gegevens voorhanden gekomen om te kunnen concluderen dat er met betrekking tot betrokkene geen sprake is van een bijzonder geval. Gelet op de aanwezige medische gegevens is er geen enkele reden om aan te nemen dat betrokkene niet in staat is geweest om tijdig een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in te dienen. Ten aanzien van het feit dat de beoordeling met inachtneming van het vanaf 1 augustus 1993 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium heeft plaatsgevonden per 9 oktober 2003 (met het CBBS) en niet een beoordeling per 8 december 1991 heeft appellant gewezen op de uitspraak van de Raad van 22 februari 2005, USZ 2005/143 (LJN: AS8451). Analoog aan deze uitspraak meent appellant dat nu gelet op artikel 29, tweede lid, van de Wajong de uitkering niet eerder kan ingaan dan per 9 oktober 2003 – een jaar voor datum aanvraag – het juiste arbeidsongeschiktheidscriterium is gehanteerd en ook het raadplegen van het CBBS juist is geweest.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW zoals dit gold op 8 december 1991, (hierna AAW (oud)) is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW (oud) heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.

Ingevolge artikel 25, tweede lid, van de AAW (oud) kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de dag, waarop de aanvraag werd ingediend. In bijzondere gevallen kan van het bepaalde in de vorige volzin worden afgeweken.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wajong is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wajong heeft de jonggehandicapte recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij onafgebroken 52 weken, onmiddellijk volgend op de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b bedoelde dag, arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van dat tijdvak nog arbeidsongeschikt is.

Ingevolge artikel 6, vijfde lid, van de Wajong wordt voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene die minder dan 25% arbeidsongeschikt is alsmede de jonggehandicapte die een uitkering geniet als bedoeld in het tweede lid.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Wajong kan de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer ’s Raads uitspraak van 6 maart 2007 (LJN: BA0905) dienen aanspraken van de verzekerde in beginsel te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum waarop de aanspraak betrekking heeft.

Ten aanzien van de weigering van appellant betrokkene een uitkering ingevolge de Wajong toe te kennen vanwege sedert 8 december 1990 bestaande arbeidsongeschiktheid, overweegt de Raad in de eerste plaats dat deze weigering, gelet op de van toepassing zijnde regelgeving op de datum waarop die aanspraak betrekking heeft, inhoudelijk gezien, beoordeeld dient te worden op en na einde wachttijd, 8 december 1991, aan de hand van de bepalingen van de AAW (oud).

De Raad ziet in hetgeen namens betrokkene is aangevoerd, maar niet is onderbouwd met nadere gegevens van medische aard, geen aanleiding het bestreden besluit in medisch opzicht voor onjuist te houden. De Raad heeft geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de belastbaarheid van betrokkene, zoals die door de verzekeringsarts is vastgelegd in de FML van 29 november 2004 en door de bezwaarverzekeringsarts is gehandhaafd, door appellant is overschat. Voorts is de Raad niet kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om betrokkene te kunnen volgen in zijn opvatting dat ten onrechte geen psychische beperkingen zijn aangenomen. De door hem overgelegde stukken bieden voor die opvatting geen steun. De Raad acht daarnaast niet aan twijfel onderhevig dat deze FML ook gold gedurende het gehele tijdvak hier in geding, op en na 8 december 1991.

Alvorens de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit te beoordelen, zal de Raad gelet op de hieronder uiteengezette overwegingen eerst beoordelen of in het geval van betrokkene sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 29, tweede lid, tweede volzin, van de Wajong.

Daarvan is onder meer sprake indien een betrokkene ter zake van een te late aanvraag redelijkerwijs moet worden geacht niet in verzuim te zijn. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de periode voor en vanaf de meerderjarigheid van een belanghebbende. Op grond van vaste rechtspraak ten aanzien van de met de hier van toepassing zijnde, vergelijkbare bepaling van artikel 25, tweede lid, van de AAW betekent dit dat voor de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een bijzonder geval tot het tijdstip dat betrokkene meerderjarig was de omstandigheden van zijn wettelijk vertegenwoordigers zijnde de ouders van betrokkene, in aanmerking dienen te worden genomen en dat vanaf dat tijdstip in beginsel de omstandigheden van betrokkene zelf dienen te worden beoordeeld.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan het bestreden besluit voldoende gegevens ten grondslag liggen om met betrekking tot de vraag of er sprake is van een bijzonder geval tot een verantwoorde beslissing te komen. Op grond van de beschikbare gegevens is de Raad niet gebleken van bij de ouders bestaande belemmeringen om de belangen van betrokkene tot zijn meerderjarigheid te behartigen. Evenmin is de Raad gebleken van omstandigheden dat betrokkene vanaf dat tijdstip niet in staat is geweest tijdig een aanvraag in te dienen. De Raad tekent daarbij aan dat volgens vaste rechtspraak onbekendheid met de mogelijkheden om een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vragen, niet kan gelden als verontschuldigingsgrond voor een late aanvraag. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat in het onderhavige geval geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, tweede volzin, van de Wajong.

Uit het voorgaande volgt dat indien bij betrokkene naar aanleiding van zijn aanvraag van 9 oktober 2004 sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wajong van 25% of meer appellant niet de bevoegdheid toekomt om aan betrokkene eerder uitkering toe te kennen dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag werd gedaan.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de in geding zijnde beoordeling stelt de Raad allereerst vast dat in het tijdvak hier in geding het arbeidsongeschiktheids-criterium met de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) per 1 augustus 1993 is gewijzigd. De van belang zijnde overgangsbepaling is neergelegd in artikel XVI, eerste lid, van de Wet van 7 juli 1993, Stb.1993, 412 (TBA). Gelet op de inhoud van deze overgangsbepaling en de leeftijd van betrokkene valt hij niet onder dit overgangsrecht. Dit betekent dat, indien beoordeling aan de hand van het tot 1 augustus 1993 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium zou hebben geleid tot een relevante mate van arbeidsongeschiktheid, per 1 augustus 1993 een beoordeling aan de hand van het vanaf die datum geldende arbeidsongeschiktheidscriterium zou hebben moeten plaatsvinden. Vervolgens zou de situatie opnieuw beoordeeld moeten worden per 9 oktober 2003, de datum met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering gelet op het vorenoverwogene eerst zou kunnen ingaan.

Bij de beoordeling van aanspraken op een uitkering ingevolge de arbeidsongeschiktheids-wetten werd op 8 december 1991 gebruik gemaakt van het ondersteunend systeem van de Arbeids Complexen Documentatie (ACD). Nadien is dit systeem vervangen door het Functie Informatie Systeem (FIS). Met ingang van 1 januari 2002 is het FIS als ondersteunend systeem vervangen door het CBBS. Ten tijde van de onderhavige aanvraag stond de ACD niet meer ter beschikking aan de arbeidsdeskundige. Voorts was toen ook het FIS niet meer operationeel. De Raad heeft in zijn rechtspraak tot uitdrukking laten komen dat in het geval de ACD niet meer ter beschikking stond de schatting op goede gronden kon worden ontleend aan het FIS (uitspraak van 21 december 2004, LJN: AR8708) en dat de enkele gebruikmaking van het CBBS als ondersteunend systeem bij schattingen niet tot relevante verschillen in uitkomst leidt in vergelijking met een schatting waarbij (nog) gebruik is gemaakt van het FIS (uitspraak van 11 oktober 2005, LJN: AU5061).

Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden is de Raad van oordeel dat appellant in het onderhavige geding de aanspraken van betrokkene op een arbeidsongeschiktheids-uitkering vanwege sedert 8 december 1990 gemelde arbeidsongeschiktheid terecht heeft beoordeeld per 9 oktober 2003 en 24 januari 2005 aan de hand van het per 1 augustus 1993 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium en door middel van het raadplegen van het CBBS.

De Raad ziet in hetgeen betrokkene, wat de arbeidskundige kant van de schatting betreft, naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat per 9 oktober 2003 en per 24 januari 2005 de aan hem voorgehouden functies niet passend zijn te achten. Voorts acht de Raad de door de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapportage van 15 april 2005 verstrekte toelichting bij de beperkingen in de geselecteerde functies voldoende toereikend en daarmee de geschiktheid van betrokkene voor deze functies voldoende inzichtelijk gemaakt.

Uit het vorenstaande volgt dat appellant terecht heeft geweigerd betrokkene een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Appellant heeft zich daarbij uitsluitend gebaseerd op de bepalingen van de Wajong. Echter, gelet op het feit dat de Wajong eerst met ingang van 1 januari 1998 in werking is getreden had appellant de aanvraag mede moeten beoordelen aan de hand van de AAW. Aangezien het materieel in beide wetten om nagenoeg gelijkluidende bepalingen gaat, leest de Raad het bestreden besluit ook als een weigering een uitkering met toepassing van de met ingang van die datum ingetrokken AAW toe te kennen.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte niet in stand heeft gelaten, zodat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M.C.M. van Laar en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) I.R.A. van Raaij.

GdJ