Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1407

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
06-4270 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Toereikende onderbouwing van de geschiktheid van de functies is eerst in hoger beroep gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4270 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 juni 2006, 05/2625 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H.M. van den Broek, werkzaam bij FNV Bondgenoten te Weert, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Broek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is in 2002 uitgevallen vanuit zijn werk van hovenier in verband met rugklachten. In aansluiting op de wachttijd is appellant per 3 november 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd. Appellant heeft bij het Uwv melding gedaan van toegenomen klachten per 5 januari 2004.

De verzekeringsarts heeft na onderzoek geconcludeerd dat appellant belastbaar is voor rugsparend werk met inachtneming van de op de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) gestelde beperkingen. De arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd waartoe appellant in staat wordt geacht en het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 12,4%. Bij besluit van 22 oktober 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellant wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 februari 2004 een WAO-uitkering toe te kennen.

Bezwaarverzekeringsarts Brouns heeft inlichtingen ingewonnen bij de huisarts en de behandelend neurochirurg. In zijn rapportage van 30 juni 2005 heeft de bezwaar-verzekeringsarts geconcludeerd dat de beperkingen in de FML juist zijn weergegeven. De bezwaararbeidsdeskundige concludeert in zijn rapportage van 25 oktober 2005 dat twee van de aanvankelijk geselecteerde functies vervallen, maar dat de overige zes functies geschikt zijn. Het verlies aan verdiencapaciteit is daarbij vastgesteld op 16,24%. Bij besluit van 31 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 22 oktober 2004 niet gehandhaafd en appellant per

1 februari 2004 een uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

15 tot 25%.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien om de in de FML omschreven belastbaarheid van appellant voor onjuist te houden. Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekerings-arts. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet gebleken is dat appellant de geselecteerde functies niet kan verrichten, en dat mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid afdoende zijn toegelicht. Het betreft de functies machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122), wikkelaar (sbc-code 267050), en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180).

De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht onvoldoende aanleiding het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag niet te volgen.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in navolging van de verzekeringsarts overwogen dat niet is voldaan aan de criteria om aan te nemen dat appellant niet over duurzaam benutbare mogelijkheden meer beschikt. De Raad verenigt zich met die overweging. Voorts overweegt de Raad dat de verzekeringsarts bij onderzoek lichamelijke afwijkingen heeft geconstateerd die naar zijn oordeel passen bij de medische klachten van appellant. In verband daarmee heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen. De bezwaar-verzekeringsarts heeft aangegeven dat uit de informatie van de huisarts en de behandelend neuroloog geen wezenlijk andere feiten over de rug- en beenklachten naar voren zijn gekomen dan bij het onderzoek van de verzekeringsarts en dat de aangenomen beperkingen met die feiten in overeenstemming zijn. Appellant heeft erop gewezen dat hij pijnstillers gebruikt en voor het huishouden aangewezen is op thuiszorg. De Raad overweegt hieromtrent dat door de (bezwaar)verzekeringsarts geenszins wordt miskend dat appellant aan pijnklachten lijdt en aangewezen is op pijnstillers en thuiszorg. De Raad ziet in deze gegevens echter onvoldoende grond om aan te nemen dat appellant meer beperkingen heeft dan op de FML zijn gesteld.

Voorts ziet de Raad geen aanleiding om aan te nemen dat appellant meer beperkingen heeft als gevolg van de oogafwijking. De bezwaarverzekeringsarts heeft er in zijn rapportage van 25 januari 2006 op gewezen dat in de medische informatie van de neurochirurg geen nevendiagnoses zijn vermeld en dat de oogafwijking niet in de weg staat aan dagelijkse activiteiten van appellant en evenmin in de weg heeft gestaan aan bijvoorbeeld het halen van het rijbewijs. Ook ten aanzien van de mogelijke sufheid bij het gebruik van pijnstillers bestaat naar het oordeel van de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts, nu ook hiervan niet is gebleken dat deze afdoet aan de dagelijkse activiteiten van appellant. Voorts is niet gebleken dat appellant - in afwijking van de bevindingen van de verzekeringsarts - op de in de geding zijnde datum 1 februari 2004 Oxicontin als pijnstiller gebruikte. De Raad concludeert dat de vaststelling van de beperkingen op zorgvuldig onderzoek berust en er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid ervan.

Bezwaarverzekeringsarts Jonker heeft in haar rapportage van 5 februari 2008 erkend dat sprake is van een verborgen beperking als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 23 februari 2007 (LJN: AZ9153) op het aspect gebogen of getordeerd actief zijn (5.6) en heeft de FML aangepast. De beperkende toelichting op aspect 5.6, die aangeeft dat niet verder dan 60 graden kan worden getordeerd, is verplaatst naar het aspect torderen (4.12). Op het aspect buigen (4.10) is de beperking voor meer dan ongeveer 60 graden buigen gehandhaafd. De Raad verenigt zich met de aanpassing van FML nu geen sprake is van relativering van de belastbaarheid.

Naar aanleiding van de aanpassing van de FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige in hoger beroep opnieuw het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en in een rapportage van 25 februari 2008 een motivering gegeven van de geschiktheid van de geselecteerde functies op de aspecten waarbij sprake is van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant. De Raad overweegt dat het frequent hanteren van zware lasten - waarvoor een beperking is aangenomen - in de geselecteerde functies niet voorkomt boven de door de (bezwaar)verzekeringsarts aangenomen maximale belastbaarheid van 10 kg. en dat appellant ten aanzien van de overige aspecten van tillen en dragen overeenkomstig de normaalwaarde belastbaar is geacht. Voorts volgt de Raad de bezwaararbeidsdeskundige in zijn vaststelling dat de belastbaarheid op het aspect gebogen of getordeerd actief zijn in de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) niet wordt overschreden. Met betrekking tot de stelling van appellant dat de functies niet geschikt zijn omdat hij zitten, staan en lopen frequent dient te kunnen afwisselen, overweegt de Raad dat - hoewel ook op deze aspecten beperkingen zijn aangenomen - het CBBS daarbij geen mogelijke overschrijdingen heeft gesignaleerd. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat in de functies onvoldoende afwisseling mogelijk zou zijn.

Appellant heeft gesteld dat hij vanwege zijn oogafwijking ongeschikt is voor “priegelwerk” en andere bijzondere eisen, waarvan volgens hem sprake is in de functies van wikkelaar (sbc-code 267050) en machinebediende kunststofverwerkende industrie (sbc-code 271092).

Ten aanzien van de medische grondslag heeft de Raad in het voorgaande reeds geoordeeld dat hij geen aanleiding ziet om aan te nemen dat appellant meer beperkingen heeft als gevolg van de oogafwijking. In zijn uitspraken van 1 februari 2008 (LJN: BC3237) heeft de Raad overwogen dat indien geen sprake is van een beperking op het aspect zien een functie met een bijzondere belasting - thans “kenmerkende belasting” geheten - op het aspect zien doorgaans niet tot een overschrijding van de belastbaarheid zal kunnen leiden. Naar het oordeel van de Raad is ook in dit geval gelet op het ontbreken van een beperking op het aspect zien geen sprake van een overschrijding. Naar het oordeel van de Raad is voldoende inzichtelijk en aannemelijk geworden dat de belasting in de functies, ondanks de aangenomen beperkingen, de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

Naar het oordeel van de Raad is op basis van de genoemde rapportages van de bezwaar-arbeidsdeskundigen aannemelijk dat de functies geschikt zijn voor appellant. Een toereikende onderbouwing van de geschiktheid van de functies is evenwel eerst in hoger beroep gegeven. Gelet op de jurisprudentie van de Raad met betrekking tot het CBBS komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit derhalve voor vernietiging in aanmerking en ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Nu de Raad zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, bestaat geen aanleiding het verzoek tot schadevergoeding in te willigen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

MH