Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1402

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
19-05-2008
Zaaknummer
06-5975 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling: mate van arbeidsongeschiktheid 45 tot 55%. CBBS. Motivering in hoger beroep, rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5975 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 8 september 2006, 06/147 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

Appellante ontving laatstelijk een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 4 oktober 2004 is zij in het kader van een herbeoordeling onderzocht door de verzekeringsarts. Deze constateerde bij appellante beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid als gevolg van ziekte of gebrek. Deze beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, de fysieke belastbaarheid en de werktijden werden omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 oktober 2004. De arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) die appellante met inachtneming van deze beperkingen nog kon verrichten. Daarmee kon appellante een zodanig inkomen verdienen dat zij geen verlies aan verdiencapaciteit had.

Bij besluit van 14 januari 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante ingetrokken met ingang van 15 maart 2005. In het kader van de heroverweging op het bezwaar van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante bij de hoorzitting gezien en kennis genomen van door appellante overgelegde inlichtingen van haar behandelend longarts, internist en huisarts. De bezwaarverzekeringsarts achtte het aannemelijk dat appellante ten gevolge van haar leveraandoening een verminderde energie heeft. Ook gelet op de inlichtingen van de huisarts achtte de bezwaarverzekeringsarts het aangewezen in de FML een urenrestrictie op te nemen. Aan de hand van de aangepaste FML van 16 augustus 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige vastgesteld dat de grondslag van de schatting was weggevallen, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid per 15 maart 2005 ongewijzigd 80 tot 100% bleef. Op basis van nader geselecteerde voor appellante geschikt geachte functies werd de mate van arbeidsongeschiktheid per toekomende datum berekend op 50%. De bezwaararbeidsdeskundige gaf een motivering op de signaleringen in de beschrijving van de functiebelasting van de functies waarbij een aantal signaleringen met G werden gemarkeerd. De bezwaarverzekeringsarts zag in de reactie van appellante op de voorgenomen beslissing op bezwaar geen medische argumenten om af te wijken van haar standpunt.

Bij besluit van 14 december 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 januari 2005 gegrond verklaard, de intrekking van de WAO-uitkering per 15 maart 2005 ongedaan gemaakt en de uitkering met ingang van 28 januari 2006 herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De rechtbank heeft het beroep van appellante, dat is gericht tegen het besluit tot herziening van de WAO-uitkering per 28 januari 2006 (hierna: bestreden besluit), ongegrond verklaard.

In verband met een latere herbeoordeling in 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts onder meer vastgesteld dat de FML diende te worden bijgesteld omdat appellante ook op 28 januari 2006 al meer beperkt was als gevolg van geobjectiveerde rugklachten. Aan de hand van de bijgestelde FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige de functieselectie aangepast in die zin dat één van de aan de schatting per 28 januari 2006 ten grondslag gelegde functies is komen te vervallen in verband met overschrijding van de belastbaarheid op het aspect staan. Daarvoor in de plaats heeft de bezwaararbeidsdeskundige de functie printmonteur (sbc-code 111180) geselecteerd, naast de eerder geselecteerde functies coupeuse (sbc-code 272043) en chauffeur bijzonder vervoer (sbc-code 282101). De functie printmonteur was eerder door de arbeidsdeskundige ook geselecteerd maar door de bezwaararbeidsdeskundige verworpen. In zijn rapport van 12 november 2007 heeft de bezwaararbeidsdeskundige toegelicht dat de functie printmonteur, na overleg met de arbeidsdeskundige analist en de bezwaarverzekeringsarts, toch voor appellante geschikt is te achten. Met deze functie en een aangepaste maatmanomvang wordt het verlies aan verdiencapaciteit iets groter, maar blijft toch in de WAO-klasse van 45 tot 55%.

Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad dat met inachtneming van het laatste rapport van de bezwaarverzekeringsarts een voldoende zorgvuldige verzekeringsgeneeskundige beoordeling aan de schatting ten grondslag ligt. In de beoordeling zijn inlichtingen van de behandelend huisarts, maagdarmleverarts, longarts, psycholoog en uiteindelijk ook de uitslag van het rugonderzoek betrokken. Met de verminderde energie is rekening gehouden door een urenbeperking aan te nemen, in die zin dat appellante niet meer dan 4 uur per dag en 20 uur per week kan werken. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat de verzekeringsartsen gezien de specifieke problematiek van appellante niet voldoende deskundig zouden zijn om haar gezondheidstoestand in relatie tot de arbeidsmogelijkheden te beoordelen. Appellante heeft van haar kant geen overtuigende medische onderbouwing geleverd voor haar stelling dat zij volledig arbeidsongeschikt is op de datum in geding. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van

12 november 2007 blijkt dat de drie geselecteerde functies zijn getoetst aan de gecorrigeerde FML van 24 oktober 2007. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige in dat rapport, in samenhang bezien met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 1 mei 2006, voldoende gemotiveerd dat deze functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van appellante zoals omschreven in de FML van 24 oktober 2007. Deze motivering voldoet aan de eisen die de Raad daaraan in zijn jurisprudentie over het CBBS heeft gesteld. Tot slot wijst de Raad erop dat overeenkomstig zijn vaste jurisprudentie bij de vraag of appellante in staat moet worden geacht de in aanmerking genomen arbeid te verrichten, haar taak in haar huishouding en de daaraan verbonden belasting buiten beschouwing moet blijven. Tot die taak wordt mede gerekend de oppassing en verzorging van haar jongste kind.

Met betrekking tot de onderbouwing van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat het Uwv in hoger beroep de medische en arbeidskundige grondslag van de schatting heeft gewijzigd en eerst in hoger beroep een toereikende en volledige motivering heeft gegeven op de in de functiebelastingen van de geselecteerde functies gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante. Het bestreden besluit dient dan ook wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Nu alsnog aan het motiveringsvereiste is voldaan, zal de Raad de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

CVG