Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1397

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
06-3527 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. Na drie jaar verlaging WAO-uitkering. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3527 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 12 mei 2006, 05/1204 (de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een aantal stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en G. Rumph. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 3 oktober 2005 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hierbij heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluiten van 11 juli 2005, 12 juli 2005 en 9 augustus 2005. Bij het besluit van 11 juli 2005 is de betaling van de WAO-uitkering van appellant van 1 januari 2002 tot 1 januari 2005 verlaagd. Het besluit van 12 juli 2005 strekt tot de verlaging van de aan appellant toegekende WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% met ingang van 1 januari 2005. Bij het besluit van 9 augustus 2005 is € 13.352,11 aan over het tijdvak 1 januari 2002 tot 1 augustus 2005 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant teruggevorderd.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

De volgende feiten zijn tussen partijen niet in geschil en de Raad gaat daarom van de juistheid er van uit.

Aan appellant is ingaande 31 mei 1976 een WAO-uitkering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Vanaf januari 1982 heeft appellant tegen betaling klusjes, waaronder het maaien van het gazon, en onderhoud gedaan voor de eigenaren van vakantiebungalows op het park [naam park] zonder hiervan aan de rechtsvoorganger van het Uwv opgave te doen. Dat heeft geleid tot de terugvordering van te veel betaalde uitkering over het tijdvak van 1 januari 1982 tot 1 januari 1987.

De betreffende werkzaamheden heeft appellant in latere jaren voortgezet. Volgens opgave van appellant heeft hij de werkzaamheden in 2001 wegens ziekte moeten staken. De toepassing van artikel 44 van de WAO, strekkende tot korting van de uitkering in verband met inkomsten uit arbeid, is in dat jaar beëindigd. Naar aanleiding van in augustus 2004 verkregen inlichtingen, is een opsporingsonderzoek ingesteld. In dat kader is op 12 mei 2005 waargenomen dat appellant op [naam park] werkzaamheden verrichtte. Op 20 mei 2005 heeft appellant als verdachte een verklaring afgelegd, inhoudende dat hij vanaf 2002 jaarlijks van mei tot en met oktober gedurende ongeveer 15 uren per week tegen betaling klusjes deed en gras maaide op de [naam park] en dit voor het Uwv heeft verzwegen. Van de gewerkte uren en de verdiensten heeft appellant geen administratie bijgehouden.

Als eerste beroepsgrond heeft appellant aangevoerd dat het Uwv bij zijn besluitvorming is uitgegaan van meer arbeidsuren dan appellant daadwerkelijk heeft gewerkt. De verklaring die hij als verdachte heeft afgelegd is, aldus appellant, niet in overeenstemming met de werkelijkheid. Verder heeft appellant gesteld dat rekening had moeten worden gehouden met hogere kosten van afschrijving van een grasmaaier en voorts dat bij de berekening van zijn verdiensten rekening had moeten worden gehouden met reiskosten.

De Raad overweegt het volgende.

Bij de berekening van de door appellant gerealiseerde verdiensten heeft het Uwv naadloos aangesloten bij de door appellant als verdachte over zijn werkuren en het door hem in rekening gebrachte uurtarief afgelegde verklaring. Dat zelfde geldt voor de afschrijving in verband met de aanschaf van een grasmaaier. Naar vaste jurisprudentie mocht het Uwv afgaan op de tegenover een opsporingsambtenaar op 28 mei 2005 afgelegde verklaring; de naderhand door appellant gepresenteerde ontkenning c.q. afzwakking van deze verklaring faalt derhalve, zulks temeer nu appellant reeds eerder met ontdekking van verzwegen inkomsten (en de daaraan gekoppelde terugvordering) was geconfronteerd. Appellant beschikt niet over enige boekhouding. Uit de door appellant overgelegde medische verklaring kan de Raad niet afleiden dat zijn gezondheidstoestand aan het verrichten van de werkzaamheden in de door het Uwv aangenomen omvang in de weg stond. Eerst na confrontatie door de arbeidsdeskundige met de gevolgen voor zijn WAO-uitkering, heeft appellant de juistheid van de door hem als verdachte afgelegde verklaring betwist. Evenmin hebben de overige door appellant in hoger beroep ingezonden verklaringen de Raad kunnen overtuigen dat het Uwv zijn arbeidsinkomsten ten tijde van belang heeft overschat. Daarom faalt de eerste beroepsgrond.

Voor de door appellant gestelde hogere verwervingskosten heeft hij geen bewijs bijgebracht. Ook deze beroepsgrond slaagt zodoende niet.

De aangevallen uitspraak kan worden bevestigd.

Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

TM