Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
06-1141 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Eerst in hoger beroep een aanvullende motivering gegeven voor de aanvaardbaarheid van de signaleringen in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1141 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 januari 2006, 05/1209 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 29 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.S van Daatselaar. Betrokkene is met kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Bij besluit van 4 mei 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de intrekking met ingang van 3 februari 2004 van haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen dat besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene, met beslissingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank stelt, samengevat, vast dat op grond van de in het dossier aanwezige medische gegevens ten aanzien van betrokkene medische beperkingen en functionele mogelijkheden kunnen worden aangenomen zoals omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 11 november 2003 en dat niet is gebleken dat appellant de klachten van betrokkene op de datum hier in geding heeft onderschat.

Voorts stelt de rechtbank vast dat in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 april 2005 niet wordt ingegaan op de niet-matchende punten en de daarbij gesignaleerde mogelijke overschrijdingen, aangeduid met G *. De rechtbank stelt ook vast dat de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 15 augustus 2005 nader is ingegaan op enkele niet-matchende punten en op de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde (reserve-)functies voor betrokkene in het licht daarvan. Deze toelichting acht de rechtbank niet afdoende nu niet alle niet-matchende punten zijn gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat pas als alle niet-matchende punten zijn gemotiveerd, het voor een ieder voldoende inzichtelijk is waarom de desbetreffende functies passend worden geacht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de schatting wat betreft de arbeidskundige component een deugdelijke toelichting en motivering ontbeert. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Het hoger beroep van appellant is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene in het kader van de WAO. Appellant stelt zich, samengevat, op het standpunt dat na de aanpassing van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voldoende inzichtelijk is. Voorts geeft appellant een toelichting op de omzetting van M naar G in het geval van betrokkene en op de niet-matchende beperkingen, en verwijst naar de rapportage van de arbeidsdeskundige van 15 augustus 2005 en de notities functiebelasting van dezelfde datum.

Op 3 december 2007 heeft appellant een rapport van 27 november 2007 overgelegd waarin enkele signaleringen bij belastingpunten in de geselecteerde functies worden besproken. Appellant handhaaft de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies parkeercontroleur (sbc-code 342022), assistent consultatiebureau (sbc-code 372091) en chauffeur bijzonder vervoer (sbc-code 282101). Bij nadere beschouwing is in sbc-code 372091 een deelfunctie met functienummer 9381-0178-002 alsnog komen te vervallen, wat echter geen gevolgen heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene.

Ter zitting van de Raad is namens appellant opgemerkt dat het hoger beroep is achterhaald door de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN: AY9971). Nu de motivering eerst in de hoger beroepsfase is vervolmaakt, verzoekt appellant de Raad de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Betrokkene kan zich geheel vinden in de conclusies en bevindingen van de rechtbank en verzoekt de Raad de aangevallen uitspraak te bevestigen. Zij is van mening dat ook na de door appellant per 1 juli 2005 aangebrachte aanpassingen het CBBS niet op alle punten voldoet aan de eisen van inzichtelijkheid, toetsbaarheid en verifieerbaarheid. Haar kritiek richt zich op het nog steeds ontbreken van markeringen, de omzetting van een M in een G en het ontbreken van een motivering bij niet-matchende punten. Voorts blijft zij van mening dat de haar voorgehouden functies haar belastbaarheid overschrijden en dat geen van de functies passend is voor haar. De door appellant gegeven motivering acht betrokkene ook in het licht van de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006, waaronder de hierboven aangehaalde uitspraak, ontoereikend. Zij verwijst voorts naar de medische bijlage bij het beroepschrift.

De Raad stelt voorop dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet ter beoordeling voorligt, nu de rechtbank zich daarover heeft uitgesproken en betrokkene tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd gelet op de toen voorliggende motivering van de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, bezien in het licht van de jurisprudentie van de Raad. Wat betreft het verzoek van appellant om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten overweegt de Raad dat in het arbeidskundig rapport van 27 november 2007 en de begeleidende brief van 3 december 2007 juist ook met het oog op de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006 een aanvullende motivering is gegeven voor de aanvaardbaarheid van de signaleringen in de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies. De Raad acht het door de rechtbank vastgestelde motiveringsgebrek met de toelichting in het hoger beroepschrift en laatstgenoemd rapport afdoende geheeld. Voor zover twijfel rijst aan de geschiktheid van de functie chauffeur bijzonder vervoer met functienummer 6714-1046-010 in verband met de beperkte mogelijkheid tot afwisseling van zitten, staan en lopen, merkt de Raad op dat het wegvallen van deze functie geen gevolgen zou hebben voor de uitkomst van de schatting nu voldoende andere functies resteren.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij aan appellant een opdracht is gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen, zal vernietigen en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand zal laten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij aan appellant opdracht is gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M.C.M. van Laar en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM