Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1370

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
06-5104 NABW + 06-5105 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leefvorm. Gezamenlijke huishouding. Intrekking en terugvordering bijstand. Feitelijke situatie. Van het voeren van een gezamenlijke huishouding is eerst vanaf 19 augustus 2000 sprake.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/219

Uitspraak

06/5104 NABW

06/5105 NABW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2006, 04/3394 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gevoegde gedingen tussen:

[betrokkene 1] en [betrokkene 2], beiden laatstelijk gewoond hebbende te Amstelveen

en

appellant

Datum uitspraak: 29 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De zaken zijn gevoegd ter behandeling aan de orde gesteld op 18 maart 2008, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) is gehuwd geweest met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). Uit dit huwelijk is een kind geboren. Aan [betrokkene 1] is vanaf 18 augustus 1995 bijstand toegekend naar de norm voor een eenoudergezin.

Naar aanleiding van een aanvraag om woonkostentoeslag op 17 november 1998 heeft [betrokkene 1] aan de sociale dienst een (kopie van een) huurovereenkomst van haar nieuwe woning overgelegd. Vervolgens is gebleken dat de op de oorspronkelijke huurovereenkomst voorkomende naam van [betrokkene 2], als (mede)huurder van die woning, op de overgelegde kopie daarvan was weggelakt. Dit heeft geleid tot het afleggen van een huisbezoek op 12 september 2000 in de woning van [betrokkene 1], [adres] te Amsterdam. Uit de bevindingen van dit huisbezoek heeft appellant de conclusie getrokken dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] sedert 28 januari 1999, de datum waarop zij de betreffende huurovereenkomst hebben ondertekend, op genoemd adres met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Bij brief van 19 september 2000 heeft appellant [betrokkene 1] meegedeeld dat zij met ingang van 28 januari 1999 geen recht meer heeft op bijstand omdat zij op die datum is gaan samenwonen met [betrokkene 2] en zij samen een inkomen hebben dat minstens zo hoog is als de aan [betrokkene 1] verleende bijstand. Voorts is meegedeeld dat een onderzoek wordt verricht om na te gaan of de datum met ingang waarvan [betrokkene 1] geen recht meer heeft op bijstand correct is.

Bij brief van 28 augustus 2003 heeft appellant betrokkenen meegedeeld dat de bijstand van [betrokkene 1] terecht met ingang van 28 januari 1999 is ingetrokken. Voorts heeft appellant besloten de kosten van bijstand over de periode van 28 januari 1999 tot en met 30 augustus 2000 inclusief woonkostentoeslag, tot een bedrag van € 24.230,73 van [betrokkene 1] terug te vorderen en mede van [betrokkene 2] terug te vorderen.

Bij besluit van 8 juni 2004 heeft appellant de bezwaren tegen het besluit van 28 augustus 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [betrokkene 1] gegrond verklaard, het besluit van 8 juni 2004, voor zover het betrekking heeft op de intrekking en op de terugvordering van de kosten van bijstand van [betrokkene 1], vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op 19 september 2000 slechts besloten is de bijstand van [betrokkene 1] voor de toekomst te beëindigen en dat eerst bij het besluit van 28 augustus 2003 de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 28 januari 1999 is ingetrokken. Voorts is overwogen dat uit de enkele medeondertekening van de huurovereenkomst op 28 januari 1999 door [betrokkene 2] niet kan worden afgeleid dat [betrokkene 2] al vanaf die datum feitelijk zijn hoofdverblijf heeft gehad bij [betrokkene 1] zodat een gezamenlijke huishouding van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vanaf die datum onvoldoende is komen vast te staan. Naar het oordeel van de rechtbank is wel komen vast te staan dat [betrokkene 1] door het overleggen van een vervalste kopie van de huurovereenkomst de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [betrokkene 2] niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand. De rechtbank heeft het beroep voor het overige gegrond verklaard, het besluit van 8 juni 2004 vernietigd, voor zover dat betrekking heeft op de medeterugvordering en het besluit van 28 augustus 2003 in zoverre herroepen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat [betrokkene 2] geen belanghebbende is bij het besluit tot intrekking van de aan [betrokkene 1] verleende bijstand. Volgens de rechtbank is niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) zodat appellant ten onrechte de aan [betrokkene 1] verleende bijstand mede van [betrokkene 2] heeft teruggevorderd.

Ten slotte heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak beslissingen gegeven inzake griffierecht en proceskosten.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

De Raad is met appellant en anders dan de rechtbank van oordeel dat appellant reeds op 19 september 2000 heeft besloten de bijstand van [betrokkene 1] met ingang van 28 januari 1999 in te trekken. De tekst en de strekking van de brief van 19 september 2000 laten geen andere conclusie toe. Dat blijkens de brief van 19 september 2000 nader onderzoek zal worden verricht naar de juistheid van de ingangsdatum van de intrekking maakt dat niet anders.

In dit licht bezien is de mededeling in het besluit van 28 augustus 2003 dat de bijstand van [betrokkene 1] terecht met ingang van 28 januari 1999 is ingetrokken niet anders te beschouwen dan als een mededeling van informatieve aard waaraan geen (nieuwe) rechtsgevolgen zijn verbonden. Dat betekent dat in zoverre geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een tegen een dergelijke mededeling gericht bezwaar dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Appellant heeft derhalve het bezwaar tegen de betreffende mededeling ten onrechte ongegrond verklaard.

De terugvordering

De Raad stelt vast dat [betrokkene 1] tegen het besluit van 19 september 2000 geen rechtsmiddel heeft aangewend, zodat de intrekking van de bijstand met ingang van 28 januari 1999 in rechte onaantastbaar is geworden. Daarmee is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat appellant gehouden was over te gaan tot terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 28 januari 1999 tot en met 30 augustus 2000.

De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat appellant niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

De medeterugvordering

In artikel 84, tweede lid, van de Abw is bepaald dat indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, van de Abw als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen bedoeld in artikel 65 van de Abw niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

De vraag of [betrokkene 2] die persoon is, is allereerst afhankelijk van het antwoord op de vraag of [betrokkene 1] met hem in de periode van 28 januari 1999 tot en met 30 augustus 2000 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd in de zin van artikel 3 van de Abw. Nu vaststaat dat uit de relatie van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een kind is geboren, wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval reeds aanwezig geacht indien gezegd kan worden dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in genoemde periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad.

Naar het oordeel van de Raad is de enkele omstandigheid dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] op 28 januari 1999 de huurovereenkomst met betrekking tot de woning in de [adres] te Amsterdam hebben ondertekend ontoereikend om te kunnen vaststellen dat [betrokkene 2] vanaf die datum samen met [betrokkene 1] zijn hoofdverblijf in die woning heeft gehad. Het gaat immers om de feitelijke situatie. Uit de beschikbare gegevens kan niet worden afgeleid dat [betrokkene 2] feitelijk reeds vanaf 28 januari 1999 hoofdzakelijk op het adres van [betrokkene 1] verblijf hield. Gelet op de verklaring die [betrokkene 1] op 11 januari 2001 ten overstaan van de sociale recherche heeft afgelegd, in samenhang met haar verklaring tijdens het huisbezoek op 12 september 2000, moet het er voor worden gehouden dat [betrokkene 2] vanaf 19 augustus 2000 bij [betrokkene 1] woonde. Er zijn geen gegevens voorhanden die er op wijzen dat deze eensluidende verklaringen van [betrokkene 1] niet juist zouden zijn. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat van het voeren van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 van de Abw eerst vanaf 19 augustus 2000 sprake is geweest.

[betrokkene 1] heeft in strijd met de op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting aan appellant niet gemeld dat zij vanaf 19 augustus 2000 met [betrokkene 2] een gezamenlijke huishouding voerde. Nu als gevolg daarvan over de periode van 19 augustus 2000 tot en met 30 augustus 2000 verlening van gezinsbijstand achterwege is gebleven, was appellant op grond van artikel 84, tweede lid, van de Abw gehouden de kosten van de over die periode aan [betrokkene 1] verleende bijstand mede van [betrokkene 2] terug te vorderen.

De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat appellant niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Slotoverwegingen

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen behoudens voor zover daarbij beslissingen zijn gegeven inzake griffierecht en proceskosten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkenen gegrond verklaren. De Raad zal voorts het besluit van 8 juni 2004 vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de intrekking en op de medeterugvordering. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar van [betrokkene 1] tegen de mededeling in het besluit van 28 augustus 2003 dat de bijstand van [betrokkene 1] terecht met ingang van 28 januari 1999 is ingetrokken, alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Voorts zal de Raad appellant opdragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van [betrokkene 2] tegen de medeterugvordering met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens hetgeen daarin is bepaald omtrent griffierecht en proceskosten;

Verklaart de beroepen van betrokkenen gegrond;

Vernietigt het besluit van 8 juni 2004, voor zover dit betrekking heeft op de intrekking en de mededeterugvordering;

Verklaart het bezwaar van [betrokkene 1] tegen de mededeling in het besluit van 28 augustus 2003 dat de bijstand van [betrokkene 1] terecht met ingang van 28 januari 1999 is ingetrokken niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat appellant opnieuw beslist op het bezwaar van [betrokkene 2] tegen de medeterugvordering met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

OA2408