Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1367

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
06-2955 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAZ-uitkering. Anticumulatie. Inkomsten uit verhuur van bedrijfspand aanmerken als inkomsten in de zin van art. 58 WAZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2955 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 april 2006, 04/2210 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.F.M. Verheij, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2008. Appellant was vertegenwoordigd door mr. Verheij en het Uwv door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreid overzicht van de feiten en omstandigheden in dit geding van belang verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

In de aangevallen uitspraak is de rechtbank – voor zover hier van belang – tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 28 april 2005, waarbij in bezwaar is gehandhaafd een aantal besluiten tot toepassing van artikel 58 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en een besluit tot herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ingevolge die wet per 1 januari 2001, ongegrond is. De rechtbank heeft hiertoe

– kort samengevat – overwogen dat het Uwv, gelet op de wijze waarop appellant de opbrengsten uit verhuur van een bedrijfspand fiscaal heeft verantwoord, deze opbrengsten – nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden – terecht heeft aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 58 van de WAZ.

Partijen worden in hoger beroep slechts verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag of de inkomsten uit verhuur van een bedrijfspand terecht zijn aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 58 van de WAZ.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen door hem reeds in beroep is aangevoerd. Nieuwe relevante gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank genummerd 4.6 en 4.7 volledig.

De door appellant in hoger beroep aangehaalde jurisprudentie leidt niet tot een ander oordeel. Dit reeds omdat deze jurisprudentie niet ziet op de situatie als in geding dat de opbrengsten van verhuur van een bedrijfsruimte door appellant voor de fiscus als inkomsten uit arbeid zijn verantwoord en door de fiscus ook als zodanig zijn geaccepteerd. Twee van de door appellant aangehaalde uitspraken zien op gevallen waarin de fiscus de opbrengst uit verhuur als inkomsten uit vermogen heeft aangemerkt en het Uwv niettemin van opvatting was dat deze inkomsten dienden te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid. De derde door appellant aangehaalde uitspraak had slechts betrekking op de vraag of betrokkene als verzekerde in de zin van de WAZ kon worden aangemerkt.

Het standpunt van appellant dat de vaste jurisprudentie van de Raad ter zake van artikel 58 van de WAZ slechts ziet op die situaties dat er een vrije keuzemogelijkheid bestaat inkomsten fiscaal te verantwoorden in Box I of in Box III vindt – daargelaten of in de fiscale systematiek zulke vrije keuzemogelijkheden voorkomen – geen steun in deze jurisprudentie.

Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient dan ook – voor zover aangevochten – te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2008.

(get.) J. Brand.

(get.) M. van der Vos.

TM