Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
07-442 WWB + 07-443 WWB + 07-6511 WWB + 07-6512 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schendink inlichtingenverplichting. Inkomsten uit arbeid. Herziening en terugvordering bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/442 WWB

07/443 WWB

07/6511 WWB

07/6512 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, wonende te Dordrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 8 december 2006, 05/883 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht (hierna College)

Datum uitspraak: 29 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit op bezwaar aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2008. Namens appellanten is mr. Van Berkel verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van der Heiden, werkzaam bij de gemeente Dordrecht. Het onderzoek is geschorst voor het inwinnen van inlichtingen bij het College.

Het College heeft vervolgens inlichtingen verstrekt, waarop namens appellanten is gereageerd. Beide partijen hebben vervolgens toestemming verleend voor afdoening van de zaak zonder een nadere behandeling ter zitting, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten hebben, met een onderbreking, over de periode van 1 februari 1999 tot 1 november 1999 bijstand ontvangen. Uit een vergelijking van de bestanden van de sociale dienst van de gemeente Dordrecht en de Belastingdienst is gebleken dat appellanten inkomsten uit arbeid en uitkering hebben ontvangen die niet of niet volledig aan de sociale dienst zijn opgegeven.

Bij besluit van 17 december 2004 heeft het College de bijstand van appellanten over de hiervoor genoemde periode herzien door alsnog met deze inkomsten - ontvangen in de maanden februari en juli tot en met oktober - rekening te houden.

Tevens zijn over die maanden gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 1.967,72.

Bij besluit van 12 juli 2005 heeft het College de tegen het besluit van 17 december 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard, met dien verstande dat de terugvordering over februari 1999 is komen te vervallen. Het College heeft het niet redelijk geacht over die maand nog bijstand terug te vorderen omdat is gebleken dat appellanten de over die maand ontvangen inkomsten wel hebben gemeld op hun inkomstenformulier, maar dat het College deze abusievelijk heeft verzuimd op de bijstand in mindering te brengen. Het bedrag van de terugvordering van de over de maanden juli tot en met oktober 1999 gemaakte kosten van bijstand is vastgesteld op € 1.881,98.

Bij besluit van 14 september 2005 heeft het College een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij de wettelijke grondslagen van het eerdere besluit op bezwaar zijn gewijzigd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht, het beroep gegrond verklaard en de besluiten van 12 juli 2005 en 14 september 2005 vernietigd wegens een ondeugdelijke motivering. Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat appellanten tekort zijn geschoten in hun wettelijke plicht tot het geven van juiste en volledige inlichtingen over hun inkomsten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het College echter onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe het tot de vaststelling van het bedrag van de herziening en de terugvordering is gekomen.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het betreft de door de rechtbank vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting. Zij hebben aangevoerd dat van een dergelijke schending geen sprake is over de maand oktober 1999 omdat zij, naast het destijds door hen gemelde - en door de gemeente reeds gekorte - bedrag van fl. 621,07 aan inkomsten bij [het uitzendbureau] uitzendbureau (hierna: [het uitzendbureau]) aan het College tevens een bedrag van fl. 430,50 aan inkomsten bij [het uitzendbureau] over de periode vanaf 20 oktober 1999 hebben opgegeven.

Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft het College op 1 juni 2007 een nieuw besluit genomen op het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2004.

Daarbij is de herziening van de bijstand gehandhaafd, is van terugvordering over februari 1999 afgezien, en is het bedrag van de terugvordering vastgesteld op € 1.881,98 .

De Raad komt tot de volgende beoordeling en zal daarbij, gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tevens het besluit van 1 juni 2007 betrekken.

De aangevallen uitspraak

Ter zitting van de Raad heeft mr. Van Berkel aangevoerd dat een beoordeling van de vraag of appellanten over oktober 1999 hun inlichtingenverplichting al dan niet (geheel of gedeeltelijk) hebben geschonden van belang is, omdat het bij een ontkennende beantwoording van die vraag in de rede ligt dat het College alsnog afziet van herziening en terugvordering van de bijstand over die maand, evenals destijds over februari 1999 is geschied.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten aan het College hebben gemeld dat appellante over de periode vanaf 20 oktober 1999 een bedrag van fl. 621,07 en een bedrag van fl. 430,50 bij [het uitzendbureau] heeft verdiend, waarvan alleen het eerste bedrag door het College destijds op de bijstand in mindering is gebracht. Niettemin stelt de Raad vast - zoals ook het College en de rechtbank hebben gedaan - dat appellanten over deze maand hoe dan ook niet volledig aan hun inlichtingenverplichting hebben voldaan. Uit de loonstroken van [het uitzendbureau] blijkt immers dat appellante in oktober 1999 (week 40 tot en met 43) een bedrag van in totaal fl. 1.613,17 aan netto-loon heeft ontvangen. De Raad ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het College over deze maand gedeeltelijk (tot een bedrag van fl. 340,50) van terugvordering behoort af te zien op de wijze als met betrekking tot februari 1999 is geschied.

De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt dus voor bevestiging in aanmerking.

Het besluit van 1 juni 2007

Naar het oordeel van de Raad heeft het College, rekening houdend met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen, met dit besluit voldoende inzichtelijk gemaakt aan de hand van welke gegevens en op welke wijze de bijstand over de in geding zijnde periode is herzien en hoe het bedrag van de terugvordering vervolgens is berekend en vastgesteld. Appellanten hebben daar onvoldoende tegenover gesteld.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellanten nog aangevoerd dat appellanten een gedeelte van het teruggevorderde bedrag al aan de gemeente hebben betaald, zodat in zoverre sprake is van een herhaalde terugvordering. Aangezien daarover niet direct opheldering kon worden verkregen, heeft de Raad de behandeling ter zitting geschorst en het College gevraagd hierover nadere inlichtingen te verstrekken.

Uit de brief van het College van 19 maart 2008 en de daarbij gevoegde bijlagen blijkt naar het oordeel van de Raad genoegzaam dat de betalingen waarop de gemachtigde van appellanten ter zitting doelde verband houden met een - thans niet in geding zijnde - terugvordering van bijstand over maart 1999.

Het voorgaande brengt mee dat het beroep voor zover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 1 juni 2007 ongegrond dient te worden verklaard.

Slotoverwegingen

Gezien de uitkomst van deze procedure is voor inwilliging van het verzoek om schadevergoeding geen ruimte.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 juni 2007 ongegrond;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, als voorzitter, en K. Zeilemaker en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

OA2408