Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1343

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
07-4474 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag toeslag, periodieke uitkering en voorzieningen. De lichamelijke klachten van appellant houden geen verband met het oorlogsgeweld. De causale psychische klachten zijn niet invaliderend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/4474 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 21 juni 2007, onderwerp BZ 7691, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008. Appellant is niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1936 in het voormalig Nederlands-Indiƫ, heeft in augustus 2006 een aanvraag gedaan om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Bij besluit van 21 februari 2007 heeft verweerster erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld, omdat zijn internering in de Darmo-wijk te Soerabaja en in kamp Soemobito te Modjokerto tijdens de Bersiap-periode is komen vast te staan. De aanvraag van appellant van een toeslag, een periodieke uitkering en voorzieningen is echter bij dit besluit, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Verweerster heeft daarbij geoordeeld dat de lichamelijke klachten van appellant met het oorlogsgeweld geen verband houden en dat de causale psychische klachten niet invaliderend zijn.

2. Appellant heeft in beroep in hoofdzaak naar voren gebracht dat hij door zijn oorlogservaringen, maar ook door bijzondere vormen van straatgeweld, beschadigd is aan lichaam en geest. Hij heeft aangevoerd dat ook zijn fysieke klachten in verband staan met zijn oorlogservaringen en/of het straatgeweld.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Ten aanzien van het straatgeweld overweegt de Raad dat uit het sociaal rapport van 2 oktober 2006, opgemaakt door een rapporteur van de Stichting Pelita, valt af te leiden dat dit heeft plaatsgevonden na de soevereiniteitsoverdracht, in de jaren `50. Appellant is naar eigen zeggen toen mishandeld door Indonesische jongeren en heeft daarop besloten naar Nederland te vertrekken. Deze gebeurtenis valt buiten de in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Wet aangegeven periode en kan dus niet worden aangemerkt als calamiteit in de zin van de Wet. De met dit straatgeweld verband houdende pijnklachten in de rechterenkel van appellant zijn dus terecht door verweerster buiten beschouwing gelaten.

3.2. Ten aanzien van de oogklachten, maag-darmbloedingen, jicht en nierinsufficiƫntie, is naar het oordeel van de Raad in de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische rapporten voldoende onderbouwd dat deze niet in causaal verband staan met de oorlogservaringen van appellant.

3.3. De Raad heeft op grond van de voorhanden zijnde gegevens evenmin tot het oordeel kunnen komen dat de beperkingen van appellant als gevolg van zijn psychische klachten bij het bestreden besluit zijn onderschat. Op grond van een uitgebreid onderhoud met appellant bij hem thuis en recente informatie van de huisarts van appellant, heeft de geneeskundig adviseur vastgesteld dat appellant beperkingen heeft bij zijn dagelijkse activiteiten, het sociaal functioneren en de stressadaptatie, maar dat die beperkingen niet van dien aard zijn dat ze als invaliderend kunnen worden gekwalificeerd. Hetgeen appellant in beroep naar voren heeft gebracht werpt geen ander licht op die beperkingen.

4. Gezien het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

14.04