Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1340

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
07-3729 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet is vastgesteld dat appellant heeft blootgestaan aan oorlogsgeweld. Gemelde gebeurtenissen kunnen niet uitsluitend op grond van de eigen verklaring als voldoende vaststaand worden aangemerkt. Geen aanvullende gegevens. Geen consistent relaas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/3729 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 28 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 14 juni 2007, onderwerp BZ 7493, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2008. Daar is appellant niet verschenen, zoals tevoren was aangekondigd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren op 31 maart 1940 te Liempde, heeft in december 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet. Appellant heeft zijn aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar zijn mening het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen.

1.1. Appellant heeft met name naar voren gebracht dat bij een bominslag vlakbij de ouderlijke woning in Liempde een dochter van de familie [Van V.] is omgekomen en de buurvrouw van die familie door granaatscherven gewond is geraakt. Voorts is aan het eind van de oorlog de familie [van B. ] op last van de Duitsers geëvacueerd naar Luissel en vonden er tijdens hun verblijf daar beschietingen plaats.

2. Bij besluit van 13 november 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen - kort gezegd - dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant getroffen is geweest door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van de Wet. Directe betrokkenheid bij de beschietingen op Liempde en de gevechtshandelingen te Luissel is naar het oordeel van verweerster niet komen vast te staan en van direct levensbedreigende omstandigheden tijdens de evacuatie is volgens verweerster niet gebleken.

3. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

3.1. Op grond van de voorhanden zijnde gegevens heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellant heeft blootgestaan aan oorlogsgeweld als bedoeld in de Wet. Bij het opmaken van het zogenoemde sociaal rapport heeft appellant aangegeven dat hij ten tijde van de beschietingen van het dorp Liempde in de schuilkelder zat die achter in de tuin was gelegen. Niet is komen vast te staan dat appellant of zijn familie of directe buren door granaatvuur zijn gewond geraakt of dat hun woonhuizen werden getroffen. Uit het relaas van appellant met betrekking tot het omkomen van de dochter van de familie [Van V.] en het gewond geraken van de buurvrouw, komt naar voren dat appellant deze voorvallen niet met eigen ogen heeft gezien, zodat van een directe confrontatie met deze gebeurtenissen niet kan worden gesproken. Omtrent de evacuatie van een deel van de bevolking van Liempde naar Luissel is weliswaar aannemelijk geworden dat deze op aandringen van de Duitse bezetter heeft plaatsgevonden, maar er zijn geen objectieve gegevens waaruit blijkt dat dit onder levensbedreigende omstandigheden is gebeurd. Ook appellant zelf maakt geen melding van beschietingen tijdens die evacuatie, terwijl in het overgelegde boek “Herlevend Boxtel” van G. Segers geen aanwijzingen zijn gevonden over gevechtshandelingen of beschietingen in de regio in het begin van oktober 1944. De gevechtshandelingen die tot de bevrijding van Liempde en Luissel hebben geleid hebben aan het eind van die maand plaatsgevonden. Van directe betrokkenheid van appellant bij deze gevechtshandelingen is ook niet gebleken.

3.2. Naar de Raad al meermalen heeft overwogen kunnen door een betrokkene gemelde gebeurtenissen niet uitsluitend op grond van diens eigen verklaring als voldoende vaststaand worden aangemerkt, maar dient een dergelijke verklaring te worden ondersteund door aanvullende gegevens. Dergelijke gegevens zijn niet verkregen. Appellants eigen relaas is niet consistent met betrekking tot de onder 3.1. genoemde gevechtshandelingen en ook de twee verklaringen van getuige [getuige] zijn niet geheel eensluidend op dit punt. Het evacuatieadres van appellant lijkt in ieder geval niet te zijn geraakt en van slachtoffers heeft appellant geen melding gemaakt, zodat niet is gebleken van directe persoonlijke betrokkenheid van appellant bij dat oorlogsgeweld, zoals door de wet vereist.

3.3. De Raad wil aannemen dat appellant de beschietingen van Liempde, het omkomen van het buurmeisje en het gewond geraken van de buurvrouw alsmede de evacuatie naar Luissel als zeer aangrijpend heeft ervaren en dat de angsten die hij heeft beleefd van veel invloed op hem zijn geweest. Dit kan evenwel niet worden begrepen onder hetgeen op grond van artikel 2 van de Wet als calamiteiten wordt aangemerkt.

3.4. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit derhalve geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

28.04.