Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1338

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
07-3069 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitsluitend vanwege de bestaande psychische klachten met de vervolgde gelijkgesteld. De lichamelijke klachten kunnen niet als grondslag dienen voor de gevraagde voorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/3069 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (Spanje), (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 28 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft bij de Raad beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 30 maart 2007, onderwerp BZ 46791, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2008. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Naar aanleiding van een door appellante, geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, in augustus 1988 ingediende aanvraag heeft verweerster bij na bezwaar genomen besluit van 7 december 1992 het standpunt ingenomen dat appellante geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Wel heeft verweerster toen aanleiding gezien haar met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet, met de vervolgde gelijk te stellen op de grond dat zij heeft verkeerd in met de vervolging vergelijkbare omstandigheden, te weten het afscheid nemen van en het omkomen van haar vader in krijgsgevangenschap. Hierbij is aanvaard dat de bij appellante aanwezige psychische klachten redelijkerwijs door of in verband met deze omstandigheden zijn ontstaan of verergerd.

1.2. In juni 2006 heeft appellante bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om - voor zover hier van belang - in aanmerking te worden gebracht voor een vergoeding van de kosten verbonden aan thuiszorg, aanschaf van een rollator en een aangepaste stoel alsmede aanpassingen in de badkamer. In dat verband heeft appellante aangevoerd dat haar lichamelijke toestand zodanig is verslechterd dat zij niet meer in staat is zichzelf te verzorgen en moeite heeft met lopen.

1.3. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 24 oktober 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat de gevraagde voorzieningen niet medisch noodzakelijk zijn vanwege de aanvaarde psychische klachten van appellante, maar in verband staan met haar niet uit de oorlogsomstandigheden voortvloeiende lichamelijke aandoeningen.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

2.1. Op grond van het bepaalde in artikel 20 van de Wet komen voor vergoeding in aanmerking de ten laste van de vervolgde blijvende, vanwege de met de vervolging verband houdende ziekten of gebreken, noodzakelijke kosten van geneeskundige behandeling en verpleging en de daarmee verbonden extra kosten van noodzakelijke voorzieningen.

2.2. Zoals blijkt uit het gestelde onder 1.1. is appellante uitsluitend vanwege de bij haar bestaande psychische klachten met de vervolgde gelijkgesteld. Dat betekent dat, gelet op het bepaalde in artikel 20 van de Wet, de lichamelijke klachten van appellante niet als grondslag kunnen dienen voor de gevraagde voorzieningen en dat verweerster de hier aan de orde zijnde voorzieningen terecht heeft afgewezen.

2.3. Voorzover appellante heeft gewezen op de gevolgen die zij ondervindt van een klap met een revolver op haar achterhoofd door een Japanner, overweegt de Raad dat verweerster deze gebeurtenis blijkens de gedingstukken bij de beoordeling van de onder 1.1. genoemde aanvraag al heeft meegewogen maar deze niet onder de werking van de Wet heeft kunnen brengen. Gegevens die thans tot een ander oordeel zouden dienen te leiden zijn niet ingebracht. Dat brengt met zich dat de (medische) gevolgen van de genoemde klap om die reden al niet bij de beoordeling van onderhavige aanvraag kunnen worden betrokken.

3. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

28.04.