Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
07-2887 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerster is verplicht tot terugvordering van het teveel betaalde. De vraag of terzake aan appellant enig verwijt kan worden gemaakt, is hierbij niet van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2887 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (België), (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 13 april 2007, onderwerp BZ 46850, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008. Aldaar is appellant in persoon verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berkel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1 Appellant, geboren in 1934, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Bij berekeningsbeslissing van 30 november 2006, zoals toegelicht bij brief van 14 november 2006, is verweerster tot herziening van appellants uitkering over de periode 2001 tot en met 2004 overgegaan omdat was gebleken dat appellant op de Wuv-inlichtingenformulieren over die jaren geen melding heeft gemaakt van het feit dat hij een pensioen ontvangt van Nationale Nederlanden. Verweerster heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 61, eerste lid, van de Wet en besloten het teveel betaalde van appellant terug te vorderen met toepassing van artikel 61a, aanhef en onder a, van de Wet, overwegende dat de gebleken onjuistheid van de aan het oorspronkelijke besluit ten grondslag liggende feiten was te wijten aan opzet of grove nalatigheid van appellant. Voorts heeft verweerster de aan appellant toekomende uitkering over 2005 definitief vastgesteld en besloten het teveel betaalde over 2005 met toepassing van artikel 59a, tweede lid, van de Wet terug te vorderen. Ten slotte is ingaande 1 januari 2006 appellants uitkering voorlopig bijgesteld. Van appellant wordt over de periode 2001 tot en met 2005 € 72.625,17 teruggevorderd. Voorts is vastgesteld dat als gevolg van de bijstelling van de uitkering met ingang van 1 januari 2006 nog eens een bedrag van (voorlopig) € 10.893,78 teveel is uitbetaald.

1.2. Een door appellant tegen de terugvordering ingediend bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. In beroep heeft appellant zich gekeerd tegen de terugvordering en daarbij onder meer aangevoerd dat er geen sprake was van opzet of grove nalatigheid van zijn kant. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij lijdt aan een met de vervolging samenhangende formulieren-fobie, waardoor het hem niet valt aan te rekenen dat hij formulieren niet of niet volledig invult.

3.1. De Raad overweegt met betrekking tot de terugvordering over de periode 2001 tot en met 2004 als volgt.

3.1.1. Ingevolge artikel 61a, aanhef en onder a, van de Wet wordt, indien een ingevolge de Wet gegeven beslissing in het nadeel van belanghebbende wordt herzien, hetgeen reeds was uitbetaald niet teruggevorderd of verrekend, tenzij in de herzieningsbeslissing is uitgesproken dat de gebleken onjuistheid van de aan de oorspronkelijke beslissing ten grondslag gelegde feiten was te wijten aan zijn opzet of grove nalatigheid.

3.1.2. Verweerster is van opvatting dat hier sprake is van grove nalatigheid in de zin van genoemde wettelijke bepaling. De Raad onderschrijft die opvatting. Niet in geschil is dat appellant op de jaarlijks door hem ondertekende en ingezonden Wuv-inlichtingenformulieren geen opgave heeft gedaan van zijn inkomsten uit pensioen van Nationale Nederlanden, noch anderszins daarvan mededeling heeft gedaan aan verweerster. Daarmee heeft appellant de op hem ingevolge artikel 40 van de Wet rustende inlichtingenverplichting niet nageleefd. De door appellant genoemde formulierenfobie levert hiervoor naar het oordeel van de Raad geen verontschuldiging op, aangezien appellant de invulling van deze formulieren had kunnen overlaten aan een ander, zoals hij ook het doen van zijn belastingaangiftes overlaat aan een ander.

3.1.3. De grief van appellant dat geen terugvordering mag plaatsvinden, omdat hij geen toestemming heeft verleend aan Nationale Nederlanden om gegevens aan verweerster te verstrekken treft geen doel. De Raad ziet niet in dat verweerster niet op basis van deze gegevens (waarvan de juistheid door appellant niet wordt bestreden) tot terugvordering mocht overgaan.

3.1.4. Dat verweerster ten aanzien van in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden in de jaren vóór 2005 een minder intensieve controle toepaste dan vanaf 2005 kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Zoals onder 3.1.3. is overwogen, rust op appellant de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen.

3.2. De Raad overweegt voorts nog het volgende.

3.2.1. In artikel 59a, eerste en tweede lid, van de Wet is bepaald dat de administratieve uitwerking van een beschikking van verweerster in een berekeningsbeschikking een voorlopig karakter draagt en dat deze in het kalenderjaar volgend op het jaar waarin die berekeningsbeschikking is afgegeven definitief wordt vastgesteld. Hetgeen na definitieve vaststelling blijkt teveel te zijn uitbetaald, dient te worden teruggevorderd.

3.2.2. De Raad stelt vast dat de definitieve vaststelling van de aan appellant over het jaar 2005 toekomende uitkering overeenkomstig deze bepalingen heeft plaatsgevonden. Nu uit die vaststelling is gebleken dat aan appellant teveel is uitbetaald, is daarmee voor verweerster de verplichting ontstaan tot terugvordering van het teveel betaalde over te gaan. De vraag of terzake aan appellant enig verwijt kan worden gemaakt, is hierbij niet van belang.

3.2.3. Hetgeen overigens door appellant naar voren is gebracht, oordeelt de Raad niet zodanig uitzonderlijk dat terugvordering van het teveel betaalde voor verweerster geen rechtsplicht meer zou zijn.

4. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van appellant ongegrond verklaard moet worden.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

27.03