Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1335

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07-2763 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering betrokkene te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer. Geen sprake van blijvende invaliditeit. Medisch onderzoek zorgvuldig? Medische beperkingen onderschat?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2763 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 30 maart 2007, kenmerk BZ 7452, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008. Appellant is in persoon verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is geboren in 1936 in het voormalig Nederlands-Indiƫ. Bij besluit van 26 april 2000 is vastgesteld dat appellant is getroffen door ongeregeldheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Wet, bestaande uit internering in de gevangenis van Magelang en internering in kamp Meteseh te Magelang. De aanvraag van appellant om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is bij dit besluit afgewezen op de grond dat bij hem geen sprake is van blijvende lichamelijke en/of psychische invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld, ook als rekening wordt gehouden met alle door appellant genoemde oorlogsgebeurtenissen.

1.2. Op 26 juni 2006 heeft appellant een hernieuwde aanvraag gedaan om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet vanwege toename van zijn psychische klachten als gevolg van zijn kampervaringen. Verweerster heeft hierop bij besluit van 16 oktober 2006 afwijzend beslist op de grond dat nog steeds geen sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. Na bezwaar is deze afwijzing gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Appellant heeft, kort samengevat, aangevoerd dat hij zich niet kan vinden in het oordeel van verweerster dat geen sprake is van blijvende invaliditeit, nu erkend is dat zijn psychische klachten sinds 2000 zijn toegenomen en die klachten van blijvende aard zijn. Hij heeft grieven ingebracht met betrekking tot de wijze waarop het medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en voorts aangevoerd dat zijn broers dezelfde oorlogsomstandig-heden hebben meegemaakt en dat zij wel in aanmerking zijn gebracht voor een toeslag op grond van artikel 19 van de Wet.

3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan appellant niet volgen in zijn grief dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegen niet op zorgvuldige wijze is geschied. Appellant is thuis bezocht door de geneeskundig adviseur R.J. Roelofs en er is opnieuw informatie ingewonnen bij de behandelend huisarts van appellant. Er is een uitgebreid rapport uitgebracht door deze medisch adviseur. Dat er een enkele verschrijving in dit rapport voorkomt, maakt niet dat het rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Voor de door appellant uitgesproken twijfel aan de objectiviteit van de (medisch) adviseurs van verweerster heeft de Raad geen grondslag gevonden.

4.2. Blijkens de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische rapporten zijn de psychische klachten van appellant verergerd sinds 2000. Hierbij is niet aangenomen dat de daaruit voortvloeiende beperkingen niet van blijvende aard zijn, maar is de ernst van die beperkingen niet zodanig geacht dat sprake is van invaliditeit in de zin van de Wet. De Raad heeft in de voorhanden zijnde gegevens van medische aard en hetgeen appellant in beroep naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat de uit de psychische klachten voortvloeiende beperkingen van appellant zijn onderschat. Er bestaat blijkens die stukken een licht, partieel beeld van een post-traumatisch stress syndroom, waardoor in wisselende mate inslaapstoornissen en nachtmerries voorkomen. De beperkingen vanwege deze lichte psychische klachten zijn niet zodanig dat sprake is van invaliditeit in de zin van de Wet.

4.3. Dat de broers van appellant wel in aanmerking zijn gebracht voor een toeslag op grond van de Wet kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. De medische gevolgen van oorlogservaringen kunnen per individu verschillen en vergen een individuele beoordeling.

4.4. Gezien het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

14.04