Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1334

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07-2565 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering verhoging verleende vergoeding voor huishoudelijke hulp. Chaotisch gedrag in huishouding? Zelfverwaarlozing? Bij onderzoek van geneeskundig adviseur aangetroffen situatie wel voldoende representatief voor besluitvorming?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2565 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 22 maart 2007, onderwerp BZ 7548 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008. Voor appellante is daar verschenen haar zoon [naam zoon appellante], terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1932, is in 1994 op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Als zodanig is haar, onder meer, ingaande 1 januari 1993 een vergoeding voor 3 uur huishoudelijke hulp per week toegekend, nadien verhoogd naar 4 uur per week.

1.2. In april 2006 heeft appellante verweerster verzocht om de haar voor huishoudelijke hulp verleende vergoeding te verhogen naar 8 uur per week.

Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 24 november 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is, overeenkomstig uitgebracht medisch advies, overwogen dat appellante nog in staat is om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten en bij appellante voorts, ondanks aanwezige verzamelwoede, geen sprake is van chaotisch gedrag in het huishouden of van zelfverwaarlozing.

1.3. In bezwaar en beroep is namens appellante uitvoerig en gedetailleerd aangegeven, in beroep mede onder verwijzing naar op 24 januari 2007 gemaakte foto's, dat wel degelijk sprake was en is van chaos en zelfverwaarlozing.

2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

2.1. Verweerster is tot haar in dit geding bestreden zienswijze gekomen op basis van een door haar geneeskundig adviseur, de arts R. van Gorkum, in november 2006 ten huize van appellante ingesteld onderzoek. Namens appellante is dadelijk, bij monde van haar zoon voormeld, aangegeven dat het bij dit onderzoek beschreven beeld in geen enkel opzicht overeenkomt met de werkelijke situatie waarin zij verkeert, mede omdat appellante zich voorafgaande aan de komst van de geneeskundig adviseur tot het uiterste, en tot schade van haar gezondheid, had ingespannen om de ergste rommel aan kant te krijgen. Met name is erop gewezen dat normaliter zowel in als buiten het huis - ook in de voortuin - sprake is van een voortgaande verwaarlozing en van een chaotische opstapeling van de meest uiteenlopende voorwerpen en afval en dat die situatie zich ook binnen twee weken na het bezoek van de geneeskundig adviseur al weer voordeed.

2.2. Ook de Raad ziet, gelet op de gedetailleerde in bezwaar en beroep namens appellante gegeven beschrijving van de doorsnee situatie in haar huishouden en de ter illustratie daarvan gepresenteerde foto's, gerede aanleiding om te betwijfelen of de bij het onderzoek van de geneeskundig adviseur aangetroffen situatie wel voldoende representatief is te achten voor besluitvorming. De namens appellante aangevoerde omstandigheden hadden verweerster aanleiding moeten geven om, alvorens op het bezwaar te beslissen, de feitelijke situatie ten huize van appellante nader in ogenschouw te nemen.

2.3. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit niet met de ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en genomen en om die reden niet in rechte kan standhouden.

3. De Raad ziet, ten slotte, aanleiding verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van de gemachtigde van appellante tot een bedrag van

€ 20,68 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 20,68, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

14.04