Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1332

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07-1711 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomsten uit na ontslag aangegane dienstbetrekking, aanmerken als inkomsten in de zin van art. 5, lid 1, UGM, zodat verrekening met UGM-uitkering aan de orde is. Hardheidsclausule? Gelijkheidsbeginsel? Knelpuntfunctie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1711 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 27 februari 2007, 05/7762 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Geldof van Doorn, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J. de Haas, werkzaam bij de VBM/NOV.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren op 28 november 1954, was sinds 1972 beroepsmilitair voor onbepaalde tijd bij de Koninklijke Marine, laatstelijk in de functie van chef bottelier van de bottelarij van het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM). Zijn verzoek om na zijn functioneel leeftijdsontslag op 1 december 2004 te mogen nadienen is door appellant bij besluit van 28 oktober 2003 afgewezen.

1.2. Op 30 oktober 2003 heeft betrokkene door middel van het Aanvraagformulier tijdelijke versnelde uitstroom militairen verzocht om op grond van overtolligheid zoals bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel d van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) op 31 december 2003 te worden ontslagen. Bij besluit van 28 september 2004 is hem dat ontslag eervol verleend.

Vanwege dat ontslag heeft betrokkene van 31 december 2003 tot 28 november 2004 een uitkering op grond van de Militaire wachtgeldregeling 1961 ontvangen en is hem met ingang van 28 november 2004 een uitkering op grond van de Uitkeringswet Gewezen Militairen (UGM) toegekend.

1.3. In april 2004 heeft appellant betrokkene benaderd met het verzoek om met tussenkomst van een uitzendbureau werkzaamheden in de bottelarij van het KIM voor 20 uur per week te komen verrichten. Betrokkene heeft aan dat verzoek gehoor gegeven. Appellant heeft daarna de inkomsten die betrokkene uit zijn werkzaamheden bij het KIM kreeg, verrekend met de uitkering die betrokkene op grond van de UGM ontvangt, voor zover die uitkering en die inkomsten tezamen de laatstelijk genoten bezoldiging van betrokkene te boven gaan. Betrokkene heeft tegen die verrekening bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 23 september 2005 heeft appellant dat bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit van 23 september 2005 vernietigd, het verrekeningsbesluit herroepen en bepalingen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven. De rechtbank was van oordeel dat het verrichten van werkzaamheden voor het Ministerie van Defensie met tussenkomst van een uitzendbureau en het verrichten van die zelfde werkzaamheden in het kader van een dienstbetrekking bij het Ministerie van Defensie - in algemene zin gesproken - niet leidt tot een gelijke toepassing van de desbetreffende anti-cumulatie- bepalingen van het UGM. De rechtbank was echter in het geval van betrokkene van oordeel dat hier geen onderscheid gemaakt kon worden, omdat betrokkene kort na zijn ontslag door appellant is benaderd om bij het KIM dezelfde werkzaamheden te gaan verrichten als betrokkene verrichtte vóór het ontslag.

3. Appellant heeft zich met dat oordeel van de rechtbank niet kunnen verenigen. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. In artikel 5, eerste lid, van de UGM is bepaald dat de inkomsten die de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2º, van die wet geniet of gaat genieten in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de dag van het ontslag, ter zake waarvan de uitkering is toegekend, gedurende de eerste twee jaren, te rekenen vanaf de dag, waarop de uitkering is ingegaan of had kunnen ingaan, met de uitkering worden verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben, dan wel over de maand waarop deze inkomsten daarvoor in aanmerking kunnen worden gebracht. Deze verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging overschrijdt.

3.2. In artikel 5, vierde lid, van de UGM is bepaald dat voor de toepassing van dit artikel niet als inkomsten wordt aangemerkt hetgeen is verkregen uit dienstbetrekking bij het Ministerie van Defensie of door werkzaamheden die zijn voorbehouden aan:

a. personeel ter zake van het geven van feitelijk onderricht in de onderwijssector;

b. medisch en paramedisch personeel voor het verrichten van feitelijke werkzaamheden in de zorgsector;

c. executief politie- dan wel douanepersoneel.

3.3. Artikel 5, zevende lid, van de UGM luidt als volgt: “In naar het oordeel van Onze Minister bijzondere gevallen, waarin toepassing van dit artikel voor het aanmerken als inkomsten en de berekening daarvan tot een onredelijke uitkomst zou leiden, kan hij van het bepaalde in dit artikel ten gunste van de gewezen militair afwijken”.

3.4. De Raad stelt vast dat betrokkene op het door hem ingevulde formulier Opgave werk en inkomen als werkgever Randstad (Uitzendbureau) heeft vermeld. Met tussenkomst van Randstad Uitzendbureau heeft betrokkene bij de bottelarij van het KIM werkzaamheden voor 20 uur per week verricht. Uit het verhandelde ter zitting van de Raad is gebleken dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, betrokkene bij het KIM de functie van cateringmedewerker C vervulde, een functie die in tegenstelling tot de vroegere functie van betrokkene van chef bottelier hoofdzakelijk een administratief karakter draagt. Uit het voorgaande dient dan te volgen dat betrokkene op de datum in geding allereerst geen dienstbetrekking met het Ministerie van Defensie had en er voorts geen sprake was van de in artikel 5, vierde lid, van de UGM specifiek voorbehouden werkzaamheden.

3.5. Naar het oordeel van de Raad moet dan ook geconcludeerd worden dat hetgeen betrokkene uit deze na zijn ontslag aangegane dienstbetrekking heeft verkregen als inkomsten moet worden aangemerkt in de zin van het eerste lid van artikel 5 van de UGM en dus voor verrekening met de uitkering die betrokkene op grond van de UGM ontvangt in aanmerking komt.

3.6. De Raad heeft verder antwoord te geven op de vraag of appellant niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen om geen gebruik te maken van de hardheidsclausule zoals deze is vervat in het zevende lid van artikel 5 van de UGM. Volgens vaste rechtspraak is voor een succesvol beroep op een hardheidsbepaling vereist dat sprake is van een bijzonder geval. De Raad kan niet tot de conclusie komen dat daarvan in het geval van betrokkene sprake is. Hij heeft daartoe van belang geacht dat betrokkene zelf heel graag weer bij het KIM wilde werken en hij van meet af aan op de hoogte was van het feit dat terugkeer bij het Ministerie van Defensie slechts met tussenkomst van een uitzendbureau mogelijk zou zijn met de daarbij behorende financiële consequenties.

3.7. De Raad is voorts van oordeel dat ook niet staande kan worden gehouden dat appellant, naar ook nog is betoogd, met het verrekenen van de inkomsten van betrokkene in strijd zou hebben gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Immers het geval waaraan betrokkene in dat kader heeft gerefereerd, betrof een gewezen militair arts die met tussenkomst van een uitzendbureau bij het Ministerie van Defensie de functie van curatief huisarts vervulde, omdat deze zogenaamde knelpuntfunctie niet eenvoudig op te vullen was. Dat de functie van betrokkene zou moeten worden aangemerkt als een knelpuntfunctie is door hem niet aannemelijk gemaakt.

4. Gezien het vorenstaande kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven en dient het beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

14.04