Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1320

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
02-2000 WUBO + 07-4178 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Immateriële schadevergoeding. Als gevolg van de lange duur van de procedure heeft appellante daadwerkelijk spanning en frustratie ondergaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73, geldigheid: 2008-04-28
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 18, geldigheid: 2008-04-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/2000 WUBO + 07/4178 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (Spanje) (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 28 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 28 december 2001. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad van 28 maart 2003. Na de zitting heeft de Raad geoordeeld dat het onderzoek niet volledig is geweest. De Raad heeft het onderzoek vervolgens heropend voor intern beraad.

Op 27 februari 2004 is de zaak opnieuw ter zitting behandeld. Na de zitting heeft de Raad andermaal geoordeeld dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft hij het onderzoek heropend.

De Raad heeft bij verzoek van 22 april 2005 het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg (hierna: Hof) bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 234 van het EG-verdrag (EG) verzocht om antwoord te geven op de vraag of het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 18 EG, zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, de toekenning van een uitkering ten behoeve van burger-oorlogsslachtoffers wordt geweigerd op de uitsluitende grond dat de belanghebbende, die de nationaliteit van de betrokken lidstaat heeft, bij de indiening van de aanvraag niet woonachtig is op het grondgebied van deze lidstaat, maar op het grondgebied van een andere lidstaat.

Bij arrest van 26 oktober 2006, zaak C-192/05, heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 18, eerste lid, EG aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die de toekenning van een uitkering ten behoeve van burger-oorlogsslachtoffers aan een van zijn onderdanen weigert op de uitsluitende grond dat de belanghebbende op de datum van indiening van de aanvraag niet woont op het grondgebied van deze staat, maar op het grondgebied van een andere lidstaat.

Verweerster heeft vervolgens enkele nadere besluiten genomen.

Op 7 februari 2008 heeft bij de Raad opnieuw een onderzoek ter zitting plaatsgevonden. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 03/4567 WUBO + 07/1559 WUBO + 07/4280 WUBO + 07/6114 WUBO van appellantes echtgenoot. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.J.P. Dietz de Loos, advocaat te Wassenaar. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1943 in het voormalige Nederlands-Indië, is in 1954 naar Nederland gekomen. In 1961 heeft zij de Nederlandse nationaliteit verworven. Appellante heeft in 1986 haar werkzaamheden als directiesecretaresse bij de Gemeentelijke Dienst Verpleging en verzorging te Den Haag wegens arbeidsongeschiktheid beëindigd. In datzelfde jaar heeft zij een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering en vergoeding van diverse bijzondere voorzieningen krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wet). Appellante heeft zich in 1987 in Spanje gevestigd.

1.2. Bij besluit van 5 juni 1989 heeft verweerster de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat appellante geen tot blijvende invaliditeit leidend letsel heeft opgelopen zodat zij niet kan worden aangemerkt als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. In 1999 heeft appellante een hernieuwde aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering, een tegemoetkoming in de kosten van huishoudelijke hulp en voor ongedekte medische kosten alsmede voor de kosten van medisch vervoer. Bij besluit van 29 december 2000 heeft verweerster die aanvraag afgewezen. Daarbij is appellante in het kader van de per 1 juli 1998 bij de beoordeling van blijvende invaliditeit geldende richtlijnen, wel erkend als burger-oorlogsslachtoffer, maar is het overige gevraagde haar niet toegekend omdat zij ten tijde van haar aanvraag gevestigd was in Spanje en daarom niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, sub a, van de Wet gestelde territorialiteitseis. Bij besluit van 28 december 2001 is het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van het onder I. genoemde arrest van het Hof heeft verweerster ten aanzien van het in 1999 gedane verzoek van appellante enkele nadere besluiten genomen.

2.1. Bij besluit van 14 december 2006 is, onder vermelding dat het besluit van 28 december 2001 en het primaire besluit van 29 december 2000 niet langer worden gehandhaafd, het bezwaar van appellante gegrond verklaard en is aan haar met ingang van 1 januari 1999 toegekend een toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden zoals bedoeld in artikel 19 van de Wet, een periodieke uitkering en een vergoeding van huishoudelijke hulp voor ten hoogste 4 uur per week.

2.2. Bij besluit van 1 juni 2007 is aan appellante met ingang van 1 juni 1999 toegekend een vergoeding voor niet gedekte medische kosten en voor medisch vervoer, en met ingang van 1 januari 2001 een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijke verkeer. Met betrekking tot het verzoek van appellante om toekenning van een periodieke uitkering heeft verweerster overwogen dat het verzoek wordt afgewezen, omdat toekenning ervan tot een ongunstiger resultaat zal leiden dan de enkele toekenning van de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet.

3. Naar het oordeel van de Raad - en dit is ter zitting ook door de gemachtigde van appellante bevestigd - komen de nadere besluiten van 14 december 2006 en 1 juni 2007 geheel tegemoet aan hetgeen appellante met het door haar gedane verzoek in 1999 heeft beoogd.

4. De vraag rijst dan of appellante thans nog procesbelang heeft bij het op vernietiging van het bestreden besluit van 28 december 2001 gerichte beroep. Van een actueel procesbelang kan nog sprake zijn indien door appellante, zoals ter zitting is gesteld, schade is geleden door de lange duur van de besluitvorming. Appellante heeft daarbij aangegeven dat zij zich door die jarenlange procedure onder doktersbehandeling heeft moeten stellen en dat zij kalmerende medicijnen heeft moeten gebruiken.

4.1. De Raad heeft dit standpunt van appellante opgevat als een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154; 1990, 156 (EVRM). Onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 april 2007, Vilho Eskelinen en anderen tegen Finland, nr. 63235/00, LJN BA6626 en JB 2007, 98, is de Raad van oordeel dat appellante een beroep op artikel 6 van het EVRM wegens een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn niet kan worden ontzegd.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM aan op het moment dat er - op zijn minst - een standpunt van een bestuursorgaan ligt waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 4 november 2005, LJN AU5643, ligt dit moment doorgaans op het tijdstip waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of tegen het uitblijven daarvan. De Raad ziet geen aanleiding in het onderhavige geval van dit uitgangspunt af te wijken.

4.3. De redelijke termijn is derhalve gaan lopen op het moment waarop appellante een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het primaire besluit van 29 december 2000, te weten op 2 februari 2001. Vanaf laatstgenoemde datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn 7 jaar en ruim 2 maanden verstreken. Gelet op de jurisprudentie (CRvB 8 december 2004, LJN AR7273) moet dit als een overschrijding van die termijn worden aangemerkt. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de complexiteit van de zaak zelf slechts deels een rechtvaardiging voor de lange duur van de procedure kan worden gevonden.

4.4. De grief van appellante over de lange duur van de procedure richt zich uitsluitend tegen het aandeel van verweerster in de overschrijding. De Raad stelt vast dat van de totale termijn 18 maanden is toe te rekenen aan verweerster, te weten van 2 februari 2001 tot 28 december 2001 en van 26 oktober 2006 tot 1 juni 2007. Daarmee heeft verweerster naar het oordeel van de Raad een onaanvaardbaar lange termijn genomen om zijn besluit-vorming over de bezwaren van appellante af te ronden. Op deze wijze is appellante ervan afgehouden om het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren.

4.5. De Raad acht aannemelijk dat als gevolg van de lange duur van de procedure appellante daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondergaan. De Raad acht om die reden termen aanwezig om het besluit van verweerster van 28 december 2001 te vernietigen en de Pensioen- en Uitkeringsraad met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de door appellante geleden immateriële schade. De Raad stelt de te betalen schadevergoeding vast op een bedrag van € 1.000,-.

5. Aangezien verweerster, gelet op de nadere besluiten van 14 december 2006 en 1 juni 2007, aan het oorspronkelijke bezwaar van appellante is tegemoetgekomen, is er tevens aanleiding om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Met betrekking tot die kosten neemt de Raad in aanmerking dat de onderhavige beroepszaak, in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, samenhangt met de beroepszaak van appellantes echtgenoot waarin de Raad heden eveneens afzonderlijk uitspraak doet. De Raad begroot de proceskosten voor verleende rechtsbijstand voor de beide samenhangende zaken tezamen op € 1.288,-.

Tot slot ziet de Raad aanleiding de reiskosten van appellante te vergoeden tot een bedrag van € 367,72.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 december 2001;

Veroordeelt de Pensioen- en Uitkeringsraad tot vergoeding van schade aan appellante ten bedrage van € 1.000,-;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.011,72, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat het betaalde griffierecht van € 62,- door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellante wordt vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD

07.05.