Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1316

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
06-4639 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Overschrijding belastbaarheid voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4639 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 juli 2006, 06/72 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Hoogendonk, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft drs. J.C. van Beek, kantoorgenoot van mr. Hoogendonk, doen weten dat hij verder als gemachtigde optreedt.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als salarisadministrateur voor 36,38 uur per week toen hij op 31 mei 2001 uitviel wegens gegeneraliseerde spierklachten en vermoeidheidsklachten. Appellant heeft zijn werkzaamheden vervolgens hervat voor 9 uur per week. Bij einde wachttijd, 30 mei 2002, is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Op 3 juli 2002 heeft appellant zich volledig arbeidsongeschikt gemeld wegens psychische klachten. Bij besluit van 19 februari 2003 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 31 juli 2002 herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van een herbeoordeling is appellant op 12 januari 2005 door de verzekeringsarts G.W. Deichmann onderzocht. De verzekeringsarts komt in zijn rapport van dezelfde datum tot de conclusie dat appellant als gevolg van een lichte depressie (die medicamenteus gereguleerd is) en een pijnsyndroom, gelokaliseerd in de musculatuur, enige beperkingen heeft. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis hiervan en met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige A.C. Kramer-Simons blijkens haar rapport van 5 april 2005 vijf functies geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 69,57%.

Bij besluit van 2 mei 2005 heeft het Uwv de aan appellant toegekende WAO-uitkering, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6 juni 2005 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts J.J. Nasheed-Linssen na dossieronderzoek op 20 september 2005 rapport uitgebracht. Volgens de bezwaarverzekeringsarts heeft de primaire verzekeringsarts ruim voldoende rekening gehouden met de lichamelijke en psychische klachten van appellant.

De arbeidsdeskundige P.M.G.M. Jansen heeft op 29 augustus 2005 gerapporteerd dat één sbc-code, die bij de primaire beoordeling is gebruikt, moet afvallen en dat dit geen consequenties heeft voor de vastgestelde resterende verdiencapaciteit. De bezwaararbeidsdeskundige C.P.M. Harren onderschrijft in zijn rapport van 21 november 2005 de nadere motivering en de conclusies van de arbeidsdeskundige Jansen.

Bij besluit van 2 december 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 mei 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is - kort gezegd - van oordeel dat het door de (bezwaar)verzekeringsarts verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat de medische beperkingen van appellant niet onjuist zijn geschat. Voorts heeft de rechtbank de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt geacht. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende inzichtelijk gemaakt dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant om te functioneren niet overschrijdt.

In hoger beroep heeft appellant zijn opvattingen staande gehouden dat zijn mogelijkheden zijn overschat en dat onvoldoende beperkingen zijn opgenomen in de FML. Appellant blijft van oordeel dat de arbeidskundige grondslag onvoldoende toereikend is. De functie van productiemedewerker textiel had niet aan hem mogen worden geduid, daar sprake is van een overschrijding van het aspect gebogen actief zijn. Voorts is appellant van mening dat de functie van chauffeur bijzonder vervoer niet aan hem geduid had mogen worden, gelet op zijn medicijngebruik.

De Raad overweegt als volgt.

Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en met hetgeen de rechtbank in dat verband heeft overwogen. Aangezien hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd in hoofdzaak een herhaling is van het reeds gestelde in eerste aanleg, volstaat de Raad ermee te verwijzen naar de uitspraak van de rechtbank. De Raad voegt daar nog aan toe dat uit de stukken blijkt dat appellant op de datum in geding niet onder behandeling stond voor zijn klachten en dat met het medicijngebruik van appellant rekening is gehouden. De Raad constateert daarbij dat appellant zijn stellingen noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft onderbouwd met medische stukken. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om te concluderen dat de belastbaarheid van appellant op de datum in geding is overschat.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting stelt de Raad vast dat de arbeidsdeskundige Jansen in bezwaar het CBBS opnieuw heeft geraadpleegd en onderzocht of de geduide functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellant vallen. In zijn rapport van 29 augustus 2005 heeft de arbeidsdeskundige Jansen alle signaleringen met een ‘M’ nader gemotiveerd. Naar het oordeel van de Raad zijn de ogenschijnlijke overschrijdingen van de belastbaarheid van de geduide functies voldoende en adequaat gemotiveerd.

Ten aanzien van appellants grief dat de functie van productiemedewerker textiel (sbc-code 272043) niet aan hem had mogen worden geduid, daar sprake is van een overschrijding van het aspect gebogen actief zijn (item 5.6) merkt de Raad - evenals de rechtbank - op dat in geen van de functies van productiemedewerker textiel bij dit item een signalering zichtbaar is in de zin van een ‘M’ of ‘G’, zodat van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellant geen sprake kan zijn.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL