Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1314

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
06-4432 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Medische en arbeidskundige grondslag voldoende onderbouwd? Toereikende onderbouwing van geschiktheid van functies eerst in hoger beroep gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4432 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 juni 2006, 05/3088 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Tali, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Knufman.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 29 januari 1996 in verband met psychische klachten uitgevallen voor zijn werk van verkoper binnendienst. In aansluiting op de wachttijd heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen. De uitkering werd laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De verzekeringsarts heeft appellant gezien op het spreekuur van 27 mei 2004 en informatie ingewonnen bij de huisarts. In zijn rapportages van 27 mei 2004 en 31 januari 2005 is geconcludeerd dat appellant geschikt is voor werkzaamheden met inachtneming van de op de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) gestelde beperkingen. Met inachtneming hiervan heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd waarmee appellant een zodanig inkomen kan verdienen dat het verlies aan verdiencapaciteit 32,8% bedraagt. Bij besluit van 1 maart 2005 is de uitkering met ingang van 23 april 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De bezwaarverzekeringsarts heeft opnieuw informatie bij de huisarts ingewonnen. In haar rapportage van 2 augustus 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de beperkingen juist zijn vastgesteld. De bezwaararbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit in zijn rapportage van 10 oktober 2005 vastgesteld op 33,01%. Het bezwaar is bij besluit van 18 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld. Naar aanleiding daarvan heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 13 december 2005 aangegeven dat er geen medische gronden zijn om het bestreden besluit te wijzigen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 19 december 2005 geconcludeerd dat één van de eerder geselecteerde functies ongeschikt is voor appellant, maar dat dit geen invloed heeft op het vastgestelde verlies aan verdiencapaciteit.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartoe is overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust.

Naar het oordeel van de Raad berust de vaststelling van de beperkingen op zorgvuldig onderzoek. De Raad heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht onvoldoende aanleiding het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag niet te volgen. De conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn gebaseerd op lichamelijk en psychisch onderzoek van de verzekeringsarts en op de inlichtingen van de huisarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de rapportage van 2 augustus 2005 aangegeven in de spanningsklachten geen aanleiding te zien beperkingen te stellen voor persoonlijk of sociaal functioneren. Er zijn geen aanwijzingen voor een ernstig psychiatrisch ziektebeeld. Zij heeft overwogen dat appellant is aangewezen op rugsparend werk en acht de handklachten niet geobjectiveerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts gemotiveerd dat voor het stellen van een urenbeperking geen gronden bestaan. In de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 13 december 2005 is ingegaan op de uitslag van het röntgenonderzoek van 19 april 2005. Aangegeven is daarbij dat het opvragen van nadere medische informatie niet nodig is, te meer omdat de behandeling door de manueel therapeut in september 2004 is geëindigd. De in hoger beroep overgelegde verklaring van de behandelend fysiotherapeut leidt ook niet tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling, nu die verklaring betrekking heeft op een periode geruime tijd vóór het tijdstip in geding 23 april 2005, de bezwaarverzekeringsarts bekend was met de fysiotherapeutische behandelingen en de inlichtingen van de huisarts over - onder andere - de rugklachten van appellant in de beschouwing zijn betrokken. De stelling van appellant dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn lichamelijke en psychische klachten moet op grond van de voorgaande overwegingen worden verworpen.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat in de rapportages van 10 oktober 2005, 19 december 2005 en 3 oktober 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige een uitvoerige motivering is gegeven van de geschiktheid van de geselecteerde functies op de aspecten waarbij sprake is van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant.

Bij ongedateerde brief - ontvangen op 14 maart 2008 - heeft het Uwv de Raad meegedeeld dat in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) een programmatuurfout is opgetreden. Het Uwv heeft een brief van 11 februari 2008 aan de Raad - met een algemene uiteenzetting over de systeemfout - overgelegd alsmede een rapportage van 10 maart 2008 van een seniorbezwaararbeidsdeskundige. De systeemfout heeft er in dit geval toe geleid dat enkele gegevens over de functiebelasting op het aspect hand- en vingergebruik die op juiste wijze op het - in de primaire fase gehanteerde - Resultaat Eindselectie zijn vermeld, bij raadpleging van het aangepaste CBBS in de bezwaarfase onjuist zijn weergegeven. De Raad stelt vast dat de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 10 maart 2008 alsnog aan de hand van de juiste gegevens heeft gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant voor hand- en vingergebruik niet overschrijdt.

Naar het oordeel van de Raad is op basis van de genoemde rapportages van de bezwaararbeidsdeskundigen aannemelijk dat de functies geschikt zijn voor appellant. Een toereikende onderbouwing van de geschiktheid van de functies is evenwel eerst in hoger beroep gegeven. Gelet op de jurisprudentie van de Raad met betrekking tot het CBBS komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit derhalve voor vernietiging in aanmerking en ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Nu de Raad zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, bestaat geen aanleiding het verzoek tot schadevergoeding in te willigen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

MK