Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1293

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
06-2916 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Betrokkene voldoet niet aan de strikte diploma-eis. Er resteren slechts twee functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2916 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 april 2006, 05/1156 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.E. Elgersma, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, kantoor Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend en heeft bij schrijven van 28 januari 2008 een nader toelichting gegeven op de geschiktheid van de geduide functies.

Bij schrijven van 5 februari 2008, met bijlage, heeft mr. M.A. Misker, werkzaam bij DAS rechtsbijstand kantoor ’s-Hertogenbosch, zich als opvolgend gemachtigde gesteld en zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2008, waar appellant en zijn gemachtigde - met kennisgeving - niet zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 26 september 2000 in verband met buikklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als assistent ontwikkeling producten (kristallen en oscillatoren). Appellant kreeg tijdens het ziektewetjaar ook lage rugklachten. De rechtsvoorganger van het Uwv heeft appellant met ingang van 25 september 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellant is op 16 september 2004 in het kader van een herbeoordeling onderzocht door verzekeringsarts L.P.G.M. Soons. Soons constateerde na eigen onderzoek en raadpleging van de behandelende sector dat appellant geen structurele afwijkingen aan zijn rug had. Soons zag daardoor geen grond (meer) om rugbeperkingen aan te nemen. Soons heeft het wel aannemelijk geacht dat appellant ten gevolge van verstijving van bindweefsel als restafwijking van een enkelfractuur in 2002 beperkt was ten aanzien van de rechter enkelbelasting. De belastbaarheid van appellant voor arbeid is door hem vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 oktober 2004.

De arbeidsdeskundige B. Wisseborn achtte het eigen werk van appellant onverminderd de beperkingen geschikt. De WAO-uitkering van appellant is daarop door het Uwv met ingang van 2 februari 2005 ingetrokken bij besluit van 1 december 2004.

De bezwaarverzekeringsarts H.A.J. Reker heeft in bezwaar aanleiding gezien de belastbaarheid van appellant ten aanzien van staan en lopen aan te scherpen. De gewijzigde belastbaarheid van appellant is door Reker vastgelegd in de FML van 30 maart 2005. De bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee stelde hierop vast dat appellant waarschijnlijk nog steeds geschikt te achten was voor zijn eigen werk, maar dat een schatting op functies zorgvuldigheidshalve aangewezen was omdat een feitelijk onderzoek naar het eigen werk van appellant niet mogelijk was. Het verlies aan verdiencapaciteit werd door Van Rhee na functieduiding berekend op 0%. Van Rhee heeft bij zijn arbeidskundige beoordeling in totaal vijf functies geselecteerd. Appellant is bij brief van 3 mei 2006 in kennis gesteld van de nieuwe vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft zich niet kunnen vinden in het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige. Het Uwv heeft bij besluit op bezwaar van 8 juni 2005, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 1 december 2004 herroepen en bepaald dat appellant per 2 februari 2005 ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en dat zijn WAO-uitkering per 10 augustus 2005 werd ingetrokken.

Het Uwv concludeerde in de beroepsprocedure dat de voor de schatting geduide functie statisticus (sbc-code 851040) niet langer gehandhaafd kon worden, waarna de schatting in beroep door het Uwv gebaseerd is op de functies statistisch analist (sbc-code 651030), artsenbezoeker, dierenartsenbezoeker (sbc-code 694020) en sociaal wetenschappelijk onderzoeker (sbc-code 965030). Het verlies aan verdiencapaciteit is door het Uwv onveranderd vastgesteld op 0%.

De rechtbank heeft zich kunnen vinden in de medische grondslag van het bestreden besluit en de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, zoals nader uiteengezet in beroep.

Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellant heeft vooreerst gesteld dat het Uwv zijn medische beperkingen heeft onderschat en dat het Uwv de van de behandelend sector afkomstige informatie over de enkeloperatie ten onrechte buiten beschouwing gelaten heeft voor zijn beoordeling. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij zwaarder beperkt is ten gevolge van zijn enkelklachten verwezen naar een op 2 december 2005 gedateerde verklaring van chirurg J. Biert.

Appellant heeft verder gesteld dat de functies sociaal wetenschappelijk onderzoeker (sbc-code 965030) en statistisch analist (sbc-code 651030) niet hadden mogen worden geduid. Appellant heeft ten aanzien van beide functies - kort gezegd - opgemerkt dat hij niet voldoet aan de gevraagde opleidingseis en de benodigde werkervaring.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad heeft in hetgeen namens appellant is aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De bezwaarverzekeringsarts Reker heeft zich in grote lijnen kunnen vinden in het hiervoor vermelde oordeel van verzekeringsarts Soons ten aanzien van de belastbaarheid van appellant. In bezwaar verkregen informatie van chirurg

F.C.W. Slootmans van 6 april 2004 heeft Reker wel aanleiding gegeven om de FML in verband met fibrosevorming aan de rechter enkel van appellant en hieruit voortvloeiende pijnklachten aan te scherpen voor staan en lopen. De Raad is uit de medische gedingstukken en hetgeen door appellant is aangevoerd niet gebleken dat appellant meer beperkt is te achten dan door het Uwv is vastgesteld. Uit de in hoger beroep overgelegde medische verklaring van chirurg J. Biert van 2 december 2005 volgt weliswaar dat appellant op 23 augustus 2005 nog enige pijnklachten aan zijn rechter enkel had na een operatie op 15 april 2005 in verband met fibrotische subcutis, maar ook dat de chirurg appellant nadien niet meer heeft gezien of gesproken, ook niet op een afgesproken telefonische controle op 9 november 2005. Nu in de FML rekening gehouden is met voornoemde pijnklachten en niet gebleken is dat deze nadien in ernst zijn toegenomen, onderschrijft de Raad de medische grondslag van het bestreden besluit.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit merkt de Raad op dat appellant blijkens de gedingstukken de volgende opleidingen genoten heeft; lager onderwijs en MAVO (afgesloten met diploma) in Turkije, LTS met diploma, een cursus statistiek op HBO-niveau gedurende 1 jaar en gedurende 5 jaar de (schriftelijke) opleiding Liberale Islamitische Theologie (met diploma) aan een universiteit in Londen.

De Raad is met appellant van oordeel dat de functies sociaal wetenschappelijk onderzoeker (sbc-code 965030) en statistisch analist (sbc-code 651030) niet geduid hadden mogen worden voor appellant omdat appellant niet voldoet aan de vereiste (strikte) diploma-eis.

De Raad merkt op dat voor de uitoefening van de functie statistisch analist vereist is dat de verzekerde beschikt over een opleiding HBO + diploma, met statistiek of in staat is tot het volgen van interne opleiding. Appellant voldoet niet aan deze strikte diploma-eis omdat hij gedurende 1 jaar een cursus statistiek op HBO-niveau gevolgd heeft en hij hiervoor ook geen diploma heeft verkregen. Deze opleidingen kunnen dus niet gelijkgesteld worden. Verder is het de Raad uit de stukken niet gebleken dat appellant vijf jaar werkervaring heeft op het gebied van statistiek.

Met betrekking tot de functie sociaal wetenschappelijk onderzoeker merkt de Raad op dat het Uwv onvoldoende heeft onderzocht of de door appellant gevolgde (schriftelijke) opleiding Liberale Islamitische Theologie aan een universiteit in Londen gelijk te stellen is met een afgeronde universitaire opleiding in maatschappij wetenschappen. Nog daargelaten het feit dat niet gebleken is dat appellant in het kader van zijn opleiding ook onderzoek verricht heeft, is door appellant tevens gesteld dat de gevolgde opleiding hem geen recht geeft enige titel te dragen in Nederland.

De Raad komt derhalve tot de conclusie dat voornoemde functies niet gehandhaafd kunnen worden voor de schatting en dat er daardoor slechts twee, en derhalve onvoldoende, functies resteren waarop de schatting (eventueel) gebaseerd zou kunnen worden. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en kan derhalve niet worden gehandhaafd.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,- ;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM