Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1238

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
06-4340 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Bij nader besluit herziening WAO-uitkering. Medische en arbeidskundige grondslag voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4340 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2006, 06/36 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene]

en

appellant.

Datum uitspraak: 23 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S . van Andel, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Van Andel.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Betrokkene ontving sedert 1991 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van de heroverweging op het bezwaar van betrokkene tegen de intrekking van de WAO-uitkering met ingang van

4 juli 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts de psychiater W.M.J. Hassing verzocht betrokkene te onderzoeken. Deze heeft op 19 oktober 2005 zijn expertiserapport uitgebracht, op basis van onderzoek van Hassing en de psycholoog A. Noteboom. Daarop heeft de bezwaarverzekeringsarts blijkens het rapport van 31 oktober 2005 de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) waarin de belastbaarheid van betrokkene was omschreven, aangescherpt en één beperking geschrapt. De bezwaararbeidsdeskundige heeft daarop opnieuw functies uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geselecteerd die betrokkene met inachtneming van zijn beperkingen nog zou kunnen verrichten en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op minder dan 15%.

Bij besluit op bezwaar van 12 december 2005 (hierna: besluit 1), voor zover hier van belang, heeft appellant de aan betrokkene toegekende WAO-uitkering met ingang van

29 januari 2006 ingetrokken.

Bij besluit van 18 februari 2008 (hierna: besluit 2), voor zover hier van belang, heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 29 januari 2006 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Op de voet van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) acht de Raad het beroep van betrokkene mede gericht tegen besluit 2.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen besluit 1 gegrond verklaard, besluit 1 vernietigd en appellant opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak, met beslissingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 31 oktober 2005 zijn medisch oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, zowel wat betreft het aannemen van beperkingen die voortvloeien uit de depressie van betrokkene als wat betreft het niet aannemen van een urenbeperking en een beperking op het onderdeel “herinneren”, ondanks dat de verzekeringsarts op dit laatste punt wel een beperking had aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts geen inzichtelijke en overtuigende medische onderbouwing gegeven van het weglaten van deze beperking in de aangepaste FML, nu de bezwaarverzekeringsarts betrokkene niet zelf heeft onderzocht en evenmin nader heeft gemotiveerd waarom betrokkene op dit onderdeel niet beperkt wordt geacht. Appellant heeft besluit 1 naar het oordeel van de rechtbank genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

Appellant heeft voor de gronden van het hoger beroep verwezen naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 28 augustus 2006. Deze wijst erop dat de bezwaarverzekeringsarts alle geobjectiveerde stoornissen en beperkingen, beschreven in het expertiserapport van de psychiater Hassing, in de FML heeft overgenomen, zonder een splitsing te maken naar de oorzaak van de beperkingen. Wat betreft de urenbeperking merkt de bezwaarverzekeringsarts op dat in het geval van een laag energieniveau gekozen kan worden voor een zwaardere belasting met een urenbeperking of beperking van de energetische inspanningen verdeeld over de dag. In het verleden werd aangenomen dat betrokkene belastbaar was voor hele dagen. De zenuwarts R.G. van ’t Hof achtte betrokkene in een aan de rechtbank op 5 februari 1997 uitgebracht rapport wel arbeidsgeschikt, maar achtte het tempo van afschatten te snel. Er werd toen geen duurzame urenbeperking geïndiceerd geacht. Een schatting na tien jaar kan volgens de bezwaarverzekeringsarts niet als te snel worden betiteld. Tot slot wijst de bezwaarverzekeringsarts erop dat de psychiater Hassing bij zijn onderzoek geen evidente stoornissen of gebreken in geheugen of concentratie heeft waargenomen, evenmin als de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting. Niet kan worden gesteld dat er onvoldoende objectiveerbare gegevens zijn om de beperkingen van betrokkene aan te passen naar de geobjectiveerde feiten. Appellant concludeert dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd.

In het verweerschrift voert betrokkene aan dat Hassing concentratieproblemen en beperkingen in de cognitieve functies aangeeft, maar dat in de aangepaste FML geen beperking is opgenomen onder 1.1 concentratie. Betrokkene stelt voorts dat hij ten gevolge van een laag energieniveau geen hele dagen kan werken. De deskundige

Van ’t Hof heeft in het verleden geconcludeerd dat betrokkene niet tot volledige werkhervatting in staat was en appellant heeft daar toen in berust. Appellant heeft onvoldoende onderbouwd waarom dat tien jaar later anders zou zijn. De bezwaarverzekeringsarts stelt ten onrechte dat psychiater Hassing geen evidente stoornissen of gebreken op geheugen en concentratie constateert. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling wijst betrokkene erop dat in deze beslissing nog ten onrechte is uitgegaan van maximering van de maatmanomvang tot 38 uur per week, terwijl de maatgevende arbeid gedurende 50 uur per week werd verricht. Voorts is verzocht een deskundige te benoemen op het gebied van de psychiatrie.

In een rapport van 3 maart 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd op het verweerschrift.

De Raad overweegt dat de bezwaarverzekeringsarts er in haar rapportages terecht op wijst dat de psychiater Hassing in zijn rapport vermeldt dat geen aanwijzingen worden gevonden voor stoornissen in geheugen- en concentratiefuncties. Betrokkene heeft bij het onderzoek wel melding gemaakt van concentratieproblemen en vergeetachtigheid, maar deze zijn kennelijk niet geobjectiveerd. De aanwezige cognitieve stoornissen kunnen volgens het rapport begrepen worden binnen de depressieve stoornis. Volgens de bezwaarverzekeringsarts hebben ook de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zelf bij de hoorzitting geen stoornissen gevonden in de concentratiefuncties, hetgeen reden is geweest om geen beperkingen aan te nemen in de FML op punt 1.1. Daarmee is naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd waarom in de FML uiteindelijk geen beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van herinneren en concentratie.

De Raad stelt voorts vast dat de psychiater Hassing op de vraag welke beperkingen de psychiatrische stoornis geeft, onder meer heeft geantwoord dat betrokkene door de depressieve stoornis moeite heeft om zich tot activiteiten te zetten en een laag energieniveau kent. In de verschillende rapportages heeft de bezwaarverzekeringsarts uitgelegd dat met die beperking rekening is gehouden door in de FML de inspanningen zowel mentaal als fysiek te beperken. Ook is een beperking voor werken gedurende de nacht opgenomen. Naar aanleiding van het beroep van betrokkene op het rapport van eerdergenoemde zenuwarts Van ’t Hof overweegt de Raad dat deze destijds weliswaar heeft geconcludeerd dat betrokkene op en na 2 mei 1996 en ook ten tijde van het onderzoek niet arbeidsgeschikt was, maar daarbij heeft aangetekend dat hij het niet eens was met het tempo van de afschatting en heeft geadviseerd betrokkene geleidelijk terug te voeren naar het arbeidsproces. De Raad kan zich verenigen met het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat hiermee een voorwaarde voor re-integratie is gesteld en geen indicatie voor een urenbeperking. Dat destijds is verzuimd de re-integratie van betrokkene ter hand te nemen kan geen grond zijn om appellant nu gehouden te achten een urenbeperking aan te nemen. De Raad acht voldoende gemotiveerd waarom appellant geen urenbeperking heeft gesteld.

De Raad kan zich ook overigens verenigen met het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 28 augustus 2006 dat een zorgvuldig en volledig verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht, waarbij de verzekeringsarts betrokkene heeft onderzocht en de bezwaarverzekeringsarts betrokkene bij de hoorzitting heeft gezien en, om een beter inzicht te krijgen in het psychiatrisch ziektebeeld van betrokkene, een psychiatrische expertise heeft laten verrichten. Vervolgens zijn de bevindingen uit het psychiatrisch onderzoek integraal verwerkt in de FML. Uit het vorenstaande volgt dat de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat de medische grondslag van de schatting op een voldoende zorgvuldig onderzoek berust en deugdelijk is gemotiveerd.

De bezwaararbeidsdeskundige achtte betrokkene in staat de functies inpakker (handmatig) (sbc-code 111190), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (sbc-code 111180) en productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) te verrichten. In de rapporten van 21 november 2005 en van 7 juni 2006 hebben de bezwaararbeidsdeskundigen de geschiktheid van de functies toegelicht. Het gaat om werkzaamheden met voornamelijk routinematige handelingen die passen bij de in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren geldende beperkingen. In het rapport van

15 februari 2008 heeft de bezwaararbeidsdeskundige op verzoek van de Raad een nadere puntsgewijze toelichting gegeven op signaleringen in de rubrieken 1 en 2 van de FML. Gelet op de toelichtingen in hun samenhang bezien is de Raad van oordeel dat de geschiktheid van de functies voldoende en in overeenstemming met de daartoe in de jurisprudentie van de Raad over het CBBS gestelde voorwaarden, met name de uitspraak van 12 oktober 2006 (LJN: AY9971), is gemotiveerd. Nu appellant eerst in hoger beroep ten volle aan het motiveringsvereiste heeft voldaan ziet de Raad aanleiding besluit 1 te vernietigen. Er is geen grond de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, nu, zoals uit het navolgende blijkt, appellant de intrekking van de WAO-uitkering niet handhaaft.

Blijkens laatstgenoemd rapport van de bezwaararbeidsdeskundige leidt correctie van de maatmanomvang naar 50 uur per week ertoe dat het verlies aan verdiencapaciteit uitkomt op 18,58%. Naar aanleiding daarvan heeft appellant besluit 2 genomen, waarbij de

WAO-uitkering van appellant met ingang van de datum in geding, 29 juni 2006, wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De Raad ziet geen grond deze uitkomst voor onjuist te houden. Het beroep dat mede gericht wordt geacht tegen besluit 2 is dan ook ongegrond.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaren en besluit 1 vernietigen, en het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaren.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 van 12 december 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep voorzover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit 2 van 18 februari 2008 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. van der Vos.

TM