Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1233

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
06-4079 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. Terugvordering. Werknemersfraude? Onkostenvergoeding verkapt loon?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4079 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 2 juni 2006, 05/2943 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 22 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.R. Bruls, verbonden aan de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 9 oktober 2007 heeft de gemachtigde de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Bruls en zijn medegemachtigde [naam zwager appellant]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.U.J.A. Olthof.

II. OVERWEGINGEN

Appellant ontvangt sedert 1988 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die aanvankelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 1990 heeft appellant samen met zijn zwager [naam zwager appellant] het bedrijf [naam bedrijf] Dakbedekkingen opgericht (hierna: [naam bedrijf]), aanvankelijk een v.o.f. en later een B.V.. Met ingang van 1 september 1995 is appellant hier in loondienst getreden voor 20 uur per week. Met ingang van diezelfde datum is de WAO-uitkering herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Op 22 juli 2004 heeft E.R. de Knijf, werkzaam bij de afdeling Fraude, Preventie en Opsporing van het Uwv, ten aanzien van appellant een rapport werknemersfraude uitgebracht. Hierin wordt geconcludeerd dat appellant over de jaren 1995 tot en met 1997 en over het jaar 2000 meer inkomsten heeft genoten dan waarvan hij tegenover het Uwv melding heeft gemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft de arbeidsdeskundige J. van Hout nader onderzoek gedaan naar de gevolgen van de verdiensten van appellant voor het recht op uitkering over de periode van 1 september 1995 tot en met 6 juni 2000 en daarvan op 12 oktober 2004 rapport uitgebracht.

Dit heeft geleid tot de volgende besluitvorming van het Uwv. Bij besluit van 26 oktober 2004 is beslist dat de uitkering van appellant:

- over de periode van 1 september 1995 tot 1 januari 1996 wordt uitbetaald naar de klasse 35 tot 45%;

- over de periode van 1 januari 1996 tot 22 november 1996 niet tot uitbetaling komt;

- over de periode van 7 april 1997 tot 1 januari 1998 wordt uitbetaald naar de klasse 15 tot 25%;

- over de periode van 1 januari 2000 tot 7 juni 2000 niet tot uitbetaling komt.

Bij besluit van 19 november 2004 heeft het Uwv een bedrag van € 10.259,41 bruto inclusief overhevelingstoeslag van appellant teruggevorderd aan onverschuldigd betaalde uitkering in verschillende periodes tussen 1 augustus 1996 tot en met 6 juni 2000.

Bij besluit van 24 augustus 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 26 oktober 2004 en 19 november 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat genoegzaam is gebleken dat appellant vergoedingen heeft genoten voor kosten die niet door hem in werkelijkheid zijn gemaakt, zodat deze vergoedingen in het kader van de uitvoering van de WAO moeten worden aangemerkt als loon. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de berekeningen van het Uwv of de wijze waarop toepassing is gegeven aan artikel 44 van de WAO voor onjuist te houden en heeft ten slotte geconstateerd dat geen dringende redenen zijn gebleken op grond waarvan het Uwv van terugvordering had moeten afzien.

In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd dat aan de getuigenverklaring van [naam getuige] geen waarde mag worden gehecht nu deze door hem niet is ondertekend. Verder is aangevoerd dat wel degelijk sprake is van werkelijk gemaakte reiskosten. In dit verband heeft appellant kopieën overgelegd van kwitanties voor de contant door de werkgever aan hem betaalde bedragen in verband met voor het werk gereden kilometers in de jaren 1996 en 1997 en verklaringen van een aantal personen. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat, voor zover het Uwv zich baseert op onderzoeken van de belastingdienst, hij ook is gebonden aan de tussen [naam bedrijf] en de belastingdienst getroffen regeling, waaruit blijkt dat over de jaren 1995 tot en met 1997 de correctie voor de onkostenvergoeding voor appellant is komen te vervallen.

De Raad overweegt als volgt.

Voor de periode van 1 september 1995 tot 1 januari 1998 gaat het Uwv blijkens het rapport werknemersfraude uit van de gegevens uit een looncontrolerapport van 26 juni 1999 van de belastingdienst naar aanleiding van een looncontrole bij [naam bedrijf]. Uit die looncontrole kwam een aantal onregelmatigheden naar voren, waaronder inzake aan appellant verstrekte vaste vergoedingen. Met betrekking tot de vaste maandelijkse onkostenvergoeding stelde de rapporteur vast dat deze nergens op was gebaseerd en meer was bedoeld als afronding van het afgesproken netto overeengekomen loon. Wat betreft de vaste kilometervergoeding van fl. 200,- per maand stelde de rapporteur vast dat appellant deze genoot terwijl hij daarnaast de zakelijk gereden kilometers volledig kon declareren. Om deze reden heeft hij de vaste vergoedingen aangemerkt als bovenmatig.

De Raad constateert allereerst dat in het rapport werknemersfraude van De Knijf niet alleen de vaste onkostenvergoeding en de vaste kilometervergoeding als bovenmatige loonbetalingen zijn aangemerkt maar ook de bedragen die in de jaren 1996 en 1997 aan appellant per kas zijn uitbetaald als vergoeding voor zakelijk gereden kilometers. In het rapport van de belastingdienst, dat mede aan de basis ligt van de besluitvorming van het Uwv, zijn echter geen aanknopingspunten te vinden voor de opvatting dat het niet zou gaan om daadwerkelijk gereden kilometers. De uitbetaalde bedragen zijn door de belastingdienst ook niet als bovenmatig aangemerkt. De overige gedingstukken bieden evenmin voldoende basis om er van uit te kunnen gaan dat het hier in wezen loonbetalingen betrof. In het bijzonder kan naar het oordeel van de Raad uit de verklaring van 11 november 2003 van [naam getuige], die per 29 januari 2000 de aandelen van [naam bedrijf] heeft overgenomen en als directeur is aangetreden, niet worden opgemaakt dat deze – ook – betrekking heeft over de jaren 1996 en 1997. Appellant heeft voorts, zij het in een zeer laat stadium, nadere stukken overgelegd ten bewijze dat het hier wel daadwerkelijk gereden kilometers betrof. Het Uwv heeft de op declaratie uitbetaalde kilometervergoedingen over de jaren 1996 en 1997 dan ook ten onrechte als loonbetalingen aangemerkt en als inkomsten uit arbeid over die jaren betrokken bij de toepassing van artikel 44 van de WAO en de daaruit voortvloeiende terugvordering.

Voor de veronderstelling dat de vaststellingen van de looncontroleur van de belastingdienst inzake de over de jaren 1995 tot en met 1997 uitbetaalde vaste vergoedingen voor onkosten en reiskosten onjuist zouden zijn heeft de Raad echter geen aanleiding gevonden. Daarbij laat hij wegen dat appellant de juistheid van de onderzoeksresultaten van de belastingdienst niet wezenlijk heeft betwist. En voorts dat [naam zwager van appellant] op 13 juli 2004 tegenover rapporteur De Knijf heeft verklaard dat per bank naast het loon aan appellant vergoedingen werden betaald – waaronder een vaste kilometervergoeding van fl. 200,- per maand –, die werden beschouwd als representatiekosten en een stuk afronding van het loon. [naam zwager van appellant] heeft bij die gelegenheid bevestigd dat daarnaast per kas de daadwerkelijk gereden kilometers werden gedeclareerd en uitbetaald. De verklaring die [naam zwager van appellant] hierover ter zitting van de rechtbank heeft afgelegd is in grote lijnen hetzelfde.

Voor de Raad staat hiermee genoegzaam vast dat de vaste kilometer- en onkostenvergoedingen over de jaren 1995 tot en met 1997 terecht en voor de juiste bedragen door het Uwv zijn aangemerkt als (verkapte) loonbetalingen.

Naar aanleiding van hetgeen de gemachtigde van appellant in hoger beroep heeft aangevoerd merkt de Raad op dat het Uwv in het kader van de uitvoering en toepassing van de sociale werknemersverzekeringswetten een eigen beoordelingsbevoegdheid en een eigen verantwoordelijkheid heeft en in beginsel niet is gebonden aan een tussen de werkgever van appellant en de belastingdienst gesloten compromis. Ook in het onderhavige geval zijn er geen bijzondere redenen om hierover anders te oordelen, temeer niet nu het compromis slechts betrekking had op de vaste onkostenvergoeding van appellant en de reden ervan lag in het geringe belang en niet in de onjuistheid van de gegevens.

Voor de periode van 1 januari 2000 tot 7 juni 2000 wordt blijkens het rapport werknemersfraude uitgegaan van de looncontrole die naar aanleiding van het faillissement van [naam bedrijf] op 26 april 2001 heeft plaatsgevonden door een looncontroleur van het toenmalige Sociaal Fonds Bouwnijverheid. In het verslag van dezelfde datum is vastgesteld dat in het jaar 2000 aan appellant loon is betaald in de vorm van een kilometervergoeding en dat de directeur [naam getuige] telefonisch heeft meegedeeld dat daar geen verreden kilometers tegenover staan. De totaal over het jaar 2000 aan appellant uitbetaalde kilometervergoeding ten bedrage van fl. 6.437,00 is door de looncontroleur aangemerkt als loonbetaling en door hem na brutering berekend op f 11.494,-. De Raad is van oordeel dat in het rapport werknemersfraude terecht is uitgegaan van het looncontrolerapport van 26 april 2001. Daartoe neemt hij in aanmerking dat [naam getuige] blijkens het op 11 november 2003 door De Knijf opgemaakte proces-verbaal van verhoor heeft verklaard dat appellant wekelijks een kilometerdeclaratie indiende en dat dit gebeurde omdat appellant niet meer loon kon ontvangen omdat zijn uitkering WAO dan verlaagd zou worden. Het moge zo zijn dat [naam getuige] dit proces-verbaal niet heeft ondertekend, er bestaat, mede nu het hier gaat om een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal, geen reden tot twijfel dat hij de daarin weergegeven verklaring heeft afgelegd. Bovendien vindt de verklaring van [naam getuige] feitelijk steun in de verklaring van [naam zwager van appellant] ter zitting van de rechtbank op 14 maart 2006. Aan de enkele verklaring van appellant dat het hier wel om daadwerkelijk gereden kilometers gaat kan de Raad niet het door appellant gewenste gewicht toekennen nu die verklaring niet nader is onderbouwd. Het Uwv is er dan ook terecht van uitgegaan dat appellant in het jaar 2000 fl. 6.437,00 netto aan verkapt loon heeft ontvangen.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit zowel wat betreft de anticumulatie als de terugvordering bij de aangevallen uitspraak ten onrechte geheel in stand gelaten. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv zal een nieuw besluit op de bezwaren van appellant moeten nemen met inachtneming van hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen. Daarbij zal het Uwv rekening moeten houden met de rechtspraak van de Raad inzake brutering en het genieten van voordeel in het jaar waarin de werkgever besluit af te zien van verhaal.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,00 voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 10,10 aan reiskosten in beroep en op € 644,00 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 22,40 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.320,50 .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.320,50, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Lochs.

TM