Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1220

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
06-3841 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering toe te kennen. In hoger beroep aanvullende motivering gegeven voor de aanvaardbaarheid van de signaleringen in de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3841 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 15 juni 2006, 04/1196 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene]

en

appellant.

Datum uitspraak: 23 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door M.A.C. Poppen, gecertificeerd arbeidsdeskundige, werkzaam bij Destinatum B.V. te Lochem.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene, geboren op 10 december 1982, heeft op 17 januari 2004 bij appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd, nadat zij per 1 juni 2003 haar studie journalistiek in verband met heupklachten had gestaakt. Op 1 maart 2004 is betrokkene op het spreekuur bij de verzekeringsarts verschenen. Zij zag af van lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts. Uitgaande van de aangeboren heupafwijking achtte de verzekeringsarts het aannemelijk dat betrokkene beperkt was ten aanzien van langdurig aaneengesloten staan, (trap)lopen, zitten en zwaar tillen en dragen, en dat afwisseling in werkhouding en activiteit wenselijk was. Daarbij is aangetekend dat het bij lopen veelal zal gaan om het zich verplaatsen per rolstoel. Voor verdergaande beperkingen zag de verzekeringsarts geen medische grond. De door betrokkene genoemde beperkingen waren volgens de verzekeringsarts geen gevolg van het fysieke ziektebeeld maar van een persoonlijkheidsstoornis en somatisatie. De inlichtingen die de verzekeringsarts nadien van de behandelend orthopedisch chirurg ontving waren in overeenstemming met deze conclusies. De belastbaarheid van betrokkene is omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 maart 2004. De arbeidsdeskundige heeft met inachtneming van deze belastbaarheid functies uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geselecteerd. Met die functies zou zij een zodanig inkomen kunnen verdienen dat geen verlies aan verdienvermogen resteerde. Daarop heeft appellant bij besluit van 4 mei 2004 geweigerd betrokkene een uitkering ingevolge de Wajong toe te kennen.

Na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts heeft appellant bij besluit van

28 oktober 2004 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van het in de aangevallen uitspraak overwogene en beslissingen genomen over vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze is geschied en dat geen twijfel bestaat aan de juistheid van de zienswijze van de verzekeringsartsen ten aanzien van de beperkingen die betrokkene als gevolg van haar klachten ondervindt. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat voor de klachten van betrokkene geen orthopedische verklaring is gevonden. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor de conclusie dat de klachten zijn terug te voeren op neurologische of psychiatrische gronden. De rechtbank concludeert dat de in de FML opgenomen mogelijkheden en beperkingen op een deugdelijke medische grondslag berusten.

Met betrekking tot de arbeidskundige aspecten overweegt de rechtbank, met verwijzing naar haar uitspraken van 13 januari 2006 (LJN: AU9706 en AU9709), dat het CBBS ook na de aanpassing in de tweede release nog diverse knelpunten vertoont. Ook in het geval van betrokkene geldt dat bij de geautomatiseerde vergelijking van functiebelasting en belastbaarheid markeringen ontbreken waar deze wel hadden moeten verschijnen en moeten worden gemotiveerd. Het gaat dan om de situatie dat voor een beoordelingspunt op de FML de normaalwaarde geldt en de functie een bijzondere belasting kent op het overeenkomende punt van de functiebelasting. Een ander knelpunt betreft de zogeheten niet-matchende beoordelingspunten. De rechtbank stelt vast dat appellant niet heeft onderzocht of ten onrechte mogelijke overschrijdingen niet zijn gesignaleerd en voorzien van een markering. Ook heeft appellant nagelaten voor ieder niet-matchend beoordelingspunt na te gaan welke belasting de geselecteerde functie op dit punt kent en te motiveren dat deze belasting de mogelijkheden van betrokkene niet te boven ging. Nu deze tekortkomingen in beroep niet zijn hersteld, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met respectievelijk de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen.

Het hoger beroep van appellant is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene in het kader van de WAO. Appellant heeft in hoger beroep gemotiveerd uiteengezet waarom hij van mening is dat, nu het CBBS is aangepast de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voldoende inzichtelijk is. Kernvraag is volgens appellant of de geselecteerde functies geschikt zijn, dat wil zeggen of de (bezwaar)arbeidsdeskundige en eventueel de (bezwaar)verzekeringsarts de geschiktheid van de functies voldoende hebben gemotiveerd. Met verwijzing naar de gedingstukken stelt appellant zich op het standpunt dat de geschiktheid van de geduide functies in het geval van betrokkene voldoende is onderbouwd. Hij verzoekt de Raad de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren.

Met het oog op de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (onder meer LJN: AY9971) inzake het aangepaste CBBS heeft de bezwaararbeidsdeskundige die geschiktheid nogmaals beoordeeld en de uitkomst daarvan neergelegd in een rapport van 20 februari 2008. In dat rapport zijn alle aspecten van de functiebelasting die met G zijn gemarkeerd alsnog toegelicht. Voor de niet-beperkte beoordelingspunten geldt volgens het rapport dat betrokkene in staat is tot de weergegeven bijzondere belasting. Waar de bezwaararbeidsdeskundige een nadere argumentatie van belang acht, is die vermeld onder het kopje Specifiek.

De Raad stelt voorop dat de medische grondslag van het bestreden besluit in dit geding niet ter beoordeling voorligt, nu de rechtbank zich daarover heeft uitgesproken en betrokkene tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd gelet op de toen voorliggende motivering van de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, bezien in het licht van de jurisprudentie van de Raad, met name de uitspraken van 12 oktober 2006. Wat betreft het aspect van de bijzondere belasting wijst de Raad op zijn uitspraak van 1 februari 2008 (LJN: BC3237) waarin de Raad heeft vastgesteld dat de hantering van het begrip bijzondere belasting als zodanig past binnen de werking van het CBBS waarover hij zich in zijn eerdere uitspraken over het CBBS al heeft uitgelaten, zodat in dat opzicht niet kan worden gesproken van structurele onvolkomenheden van het CBBS. De Raad is van oordeel dat appellant in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 20 februari 2008 juist ook met het oog op de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006 een aanvullende motivering heeft gegeven voor de aanvaardbaarheid van de signaleringen in de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies, namelijk de schadecorrespondent (sbc-code 516080), boekhouder, loonadministrateur (beginnend) (sbc-code 315040) en administratief medewerker afhandelingen (sbc-code 515080). De Raad acht het door de rechtbank vastgestelde motiveringsgebrek met de toelichting in het hoger beroepschrift en laatstgenoemd rapport van de bezwaararbeidsdeskundige afdoende geheeld.

Hetgeen betrokkene heeft aangevoerd, voor zover het arbeidskundige aspecten van de schatting betreft, leidt niet tot een ander oordeel. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn voldoende actueel, nu voor de beoordeling daarvan moet worden uitgegaan van de datum hier in geding, 29 mei 2004.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad termen aanwezig acht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

Nu de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten is er geen grond voor toepassing van artikel 8:73 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij aan appellant opdracht is gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. van der Vos.

TM