Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
06-5785 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag medewerker IND. Shijnrelatie met als doel het verkrijgen van een verblijfsvergunning van de partner?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5785 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Justitie (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 augustus 2006, 05/147 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. in ’t Veen, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) van het ministerie van Justitie. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Yildirim, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was sinds 1 januari 2001 in vaste dienst werkzaam als medewerker ondersteuning bij het Gemeenschappelijk Centrum Procesvertegenwoordigers van de IND, laatstelijk bij de Regionale Directie Zuid-Oost.

1.2. Voor de in Turkije woonachtige vrouw HK, met de Turkse nationaliteit, is op 14 november 2001 een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) met als doel verblijf bij haar partner, zijnde betrokkene, aangevraagd. Op 21 maart 2002 is de mvv aan HK afgegeven en op 7 april 2002 is zij Nederland ingereisd. Op 9 augustus 2002 is aan HK een vergunning met een regulier doel verleend, te weten tot verblijf bij betrokkene.

In het najaar van 2002 is op verzoek van het hoofd van het Bureau Bijzondere Zaken van de IND een onderzoek ingesteld in verband met - voor zover thans nog van belang - het vermoeden van een schijnrelatie die betrokkene zou zijn aangegaan met HK. In het kader van dat onderzoek heeft op 16 oktober 2002 een huisbezoek plaatsgevonden aan het adres waar betrokkene stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, en zijn betrokkene en HK op 13 december 2002 ieder afzonderlijk door de Vreemdelingenpolitie gehoord, in aanwezigheid van E, een medewerker van het Bureau Bijzondere Zaken. E heeft vervolgens een lijst opgesteld waarin 26 tegenstrijdigheden zijn vermeld tussen de verklaringen van betrokkene en die van HK. Met ingang van 16 december 2002 heeft appellant betrokkene geschorst in zijn ambt.

1.3. Bij besluit van 23 oktober 2003 heeft appellant betrokkene wegens plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 december 2004 (hierna: bestreden besluit). Het verweten plichtsverzuim bestaat er uit dat betrokkene met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een schijnrelatie is aangegaan met het kennelijke doel voor HK een verblijfsvergunning te verkrijgen en uit het feit dat door betrokkene geen melding is gemaakt van ten onrechte ten behoeve van HK, na het verbreken van de relatie met haar, ontvangen van tegemoetkoming in ziektekosten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens zijn bepalingen omtrent vergoeding van griffierecht en proceskosten gegeven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de door appellant gegeven motivering niet de conclusie kan dragen dat betrokkene een schijnrelatie is aangegaan met HK. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het bij het bestreden besluit gehandhaafde verwijt betreffende de tegemoetkoming in de ziektekosten feitelijk is komen vast te staan. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan betrokkene kan worden toegerekend, maar de rechtbank acht de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig aan dit plichtsverzuim.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de 26 tegenstrijdigheden niet of nauwelijks door betrokkene kunnen worden verklaard. Doordat betrokkene in Nederland geen geregistreerd partnerschap met HK is aangegaan, moet in samenhang met de lijst van 26 tegenstrijdigheden worden geconcludeerd dat geen sprake is geweest van een echte relatie, maar van een schijnrelatie.

3.2. Betrokkene heeft ten aanzien van de verklaringen die door hem en HK zijn afgelegd op 13 december 2002 ten overstaan van de Vreemdelingenpolitie, gesteld dat appellant niet bevoegd was om deze aan het plichtsverzuim ten grondslag te leggen. Daartoe is onder meer aangevoerd dat die verklaringen afkomstig zijn uit registers die bescherming genieten op grond van de Wet Politieregisters en de Wet bescherming persoonsgegevens. De Raad overweegt dienaangaande dat volgens vaste rechtspraak (CRvB 22 januari 2004, LJN AO3220 en CRvB 23 augustus 2007, LJN BB2778 en TAR 2008, 13) in zaken als hier aan de orde het gebruik van bepaalde bewijsmiddelen slechts dan niet is toegestaan, indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen is het onder de gegeven omstandigheden aanvaardbaar te achten dat een ambtenaar van het Bureau Bijzonder Zaken van de IND de gehoren bijwoont van de Vreemdelingenpolitie, die verricht worden op verzoek van de IND ten einde te bezien of er aanleiding bestaat voor het nemen van rechtspositionele maatregelen ten aanzien van een ambtenaar van de dienst. Het gebruik van de verslagen van die gehoren is naar het oordeel van de Raad dan ook niet ontoelaatbaar.

3.3. Ter zitting van de Raad is namens appellant te kennen gegeven dat niet bestreden wordt dat betrokkene en HK in Turkije ten overstaan van een imam op traditionele wijze zijn gehuwd. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat aan de tegenstrijdigheden genoemd in de punten 1 tot en met 8, die betrekking hebben op feitelijkheden rondom dat traditionele huwelijk geen betekenis toekomt voor de vraag of sprake was van een schijnrelatie.

3.4. Ten aanzien van de punten 9 tot en met 26 van de lijst heeft de Raad vastgesteld dat er inderdaad sprake is van niet met elkaar overeenstemmende verklaringen van betrokkene en HK. Weliswaar heeft betrokkene erop gewezen dat de verhoren voor HK beschamend en verwarrend waren en dat de in het Turks afgelegde verklaringen van HK door een tolk naar het Nederlands zijn vertaald, waardoor er fouten kunnen zijn ontstaan, maar dat verklaart volgens de Raad nog niet dat er ten aanzien van een aantal eenvoudige feiten tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd.

3.5. Ofschoon op grond van die tegenstrijdigheden betwijfeld kan worden of betrokkene en HK ten tijde van het onderzoek door het Bureau Bijzondere Zaken nog een relatie hadden, heeft de Raad niet tot de overtuiging kunnen komen dat betrokkene een schijnrelatie met HK was aangegaan, die ten doel had het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor HK. Daarbij acht de Raad mede van belang dat niet is gebleken dat de IND de aan HK verleende verblijfsvergunning heeft ingetrokken.

3.6. Voorts kan de Raad aan het feit dat betrokkene na het traditionele huwelijk in Turkije in Nederland geen geregistreerd partnerschap met HK is aangegaan, niet de betekenis toekennen die appellant daaraan gehecht wil zien. Het antwoord op de vraag of twee personen met elkaar als partners een relatie onderhouden, is immers niet afhankelijk van een officiële registratie.

3.7. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant op dit punt geen doel treft. De aangevallen uitspraak moet daarom in zoverre worden bevestigd.

3.8. Ten aanzien van hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de door betrokkene ten onrechte ontvangen ziektekostenpremie, hebben beide partijen in hoger beroep aangegeven zich te verenigen met het oordeel dat de rechtbank daarover heeft gegeven.

Ook in zoverre komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD

08.04