Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
06-1182 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering te verhogen. Intrekking WAO-uitkering. Geschikt voor eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1182 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 23 december 2005, 05/497 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. de Groot, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2008.

Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellante is in 1999 een WAO-uitkering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij besluit van 17 augustus 2004 heeft het Uwv, naar aanleiding van de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellante per 15 maart 2004, besloten om de WAO-uitkering niet te verhogen omdat uit medisch onderzoek is gebleken dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet is toegenomen.

Bij besluit van 18 augustus 2004 heeft het Uwv, in het kader van de vijfdejaarsherbeoordeling, besloten tot intrekking van de WAO-uitkering per

17 oktober 2004 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt.

Bij besluit van 28 januari 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen deze beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat haar niet is gebleken dat appellante per 15 maart 2004 toegenomen arbeidsongeschikt is te achten, gelet op de medische rapportages van het Uwv die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, bezien in samenhang met de door appellante ingebrachte medische informatie van met name prof. dr. J.W. van der Eijken van 1 juli 2002 en van prof. dr. P.M. Rozing van 23 september 2005. Wat betreft het besluit van 18 augustus 2004 heeft de rechtbank voorts overwogen dat het Uwv afdoende heeft gemotiveerd dat het eigen werk van appellante als medewerkster retail/verkoopadviseur bij een bank voor haar geschikt is te achten, gelet op haar medische beperkingen zoals vastgesteld bij de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar klachten ten gevolge van een nekhernia, waardoor zij ook beperkingen heeft ten aanzien van haar linkerarm en -schouder. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij haar eigen werk niet kan verrichten omdat dit teveel knijp- en grijpkracht vergt van haar rechterhand, terwijl in de FML is opgenomen dat zij niet of nauwelijks knijp-/grijpkracht kan uitoefenen met deze hand. Nu had dit in elk geval gecompenseerd dienen te worden door middel van een urenbeperking.

Het Uwv heeft bij het verweerschrift het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat geen aanleiding tot twijfel bestaat aan de in de FML neergelegde medische beperkingen van appellante en stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake.

Wat betreft de klachten aan de linkerarm en -schouder wijst de Raad erop dat de brieven van de behandelend neuroloog T.C. van der Ree van 3 september 2004 en

23 september 2004 door de bezwaarverzekeringsarts M. Hoogenboom-Copier zijn meegenomen in haar oordeelsvorming.

Voorts is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht haar eigen werk als bankemployee te verrichten. De Raad onderschrijft ook de overwegingen van de rechtbank terzake. Wat betreft het gebruik van de telefoon en hanteren van dossiers en mappen is de Raad van oordeel dat, voorzover deze handelingen al een overschrijding van de belastbaarheid ten aanzien van de rechterhand/-arm zouden opleveren, dit kan worden ondervangen door de linkerhand/-arm te gebruiken, nu deze volgens de FML niet beperkt is. Wat betreft het schrijven met een pen wijst de Raad erop dat prof. Rozing, voornoemd, haar op dit punt nauwelijks beperkt acht (hooguit enigszins in duur) en dat appellante vrij is in het bepalen van het schrijftempo en dat zij schrijfwerkzaamheden kan afwisselen met andere werkzaamheden.

Gelet op het bovenstaande slaagt het hoger beroep niet.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM