Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1213

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
06-7080 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag omdat het college niet meer het nodige vertrouwen had in appellant vanwege zijn aandeel in de budgetoverschrijding en met name het onvoldoende signaleren en rapporteren en het zelf opdrachten geven in het kader van de verbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/155

Uitspraak

06/7080 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 oktober 2006, 05/4354 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp (hierna: college)

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G. Nieuwenhuis, advocaat te Noordwijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Vriezen, juridisch adviseur bij Vijverberg Juristen te Zoetermeer, en drs. A.H. Schouten, gemeentesecretaris van Leiderdorp.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was vanaf 1 december 2001 werkzaam als beleidsmedewerker [beleidsmedewerker] van de gemeente Leiderdorp. Uit hoofde van die functie werd appellant in de loop van 2002 namens die gemeente betrokken bij de verbouwing van een pand [aan het adres] (hierna: pand) te Leiderdorp ten behoeve van de huisvesting van verschillende onderwijsinstellingen. Dat pand was eigendom van de [stichting] (hierna: [de stichting]). Als beheerder namens [de stichting] begeleidde [naam besloten vennootschap] die verbouwing.

1.2. Op 17 februari 2003 heeft de gemeenteraad van Leiderdorp besloten € 356.000,- aan krediet te voteren voor de verbouwing van het pand overeenkomstig het door appellant in januari 2003 geredigeerde voorstel.

1.3. Nadat bij het college in januari 2004 bekend werd dat er vermoedelijk sprake was van een grote overschrijding van het budget voor de verbouwing van het pand heeft de gemeentesecretaris van Leiderdorp in opdracht van het college een onderzoek daarnaar verricht. Zijn bevindingen en conclusies heeft de gemeensecretaris neergelegd in zijn rapportage van 9 maart 2004. Naar aanleiding daarvan heeft het college een enquête-commissie benoemd om inzicht te krijgen in het ontstaan van de substantiële kostenoverschrijding van de verbouwing van het pand. Op 12 januari 2005 is de eindrapportage van deze commissie gevolgd. Zij heeft onder andere geconcludeerd dat sprake is geweest van een groot aantal tekortkomingen van de bij het verbouwingsproject betrokken wethouder en ambtenaren, onder wie appellant. Er is onvoldoende bewaking van de kosten en sturing van de verbouwing geweest; er is te weinig krediet aangevraagd; appellant heeft de eigen verantwoordelijkheid niet adequaat ingevuld.

1.4. Intussen had het college op 7 oktober 2004 appellant ervan in kennis gesteld dat naar aanleiding van de rapportage van 9 maart 2004 van de gemeentesecretaris het voornemen bestond hem ontslag te verlenen. Bij besluit van 15 december 2004 is dit voornemen ten uitvoer gebracht en is appellant per 1 januari 2005 op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (hierna: CAR/UWO) ontslag verleend. Het college had niet meer het nodige vertrouwen in appellant vanwege zijn aandeel in de budgetoverschrijding en met name het onvoldoende signaleren en rapporteren en het zelf opdrachten geven in het kader van de verbouwing. Aan dit ontslag is de (garantie van een) uitkering verbonden welke ingevolge artikel 8:8, derde lid, van de CAR/UWO als minimum is voorgeschreven. Bij het bestreden besluit van 12 mei 2005 heeft het college dit ontslagbesluit, na door appellant gemaakt bezwaar, gehandhaafd. Daarbij heeft het college tevens de bevindingen van de enquêtecommissie zoals neergelegd in zijn rapportage van 12 januari 2005 betrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep overweegt de Raad als volgt.

3.1. Appellant heeft ter zitting aangegeven uitsluitend het hem verleende ontslag aan te vechten en niet de daarbij door het college toegekende uitkering.

3.2. Appellant betwist de juistheid van het standpunt van het college dat hij niet langer het vertrouwen kan genieten als gevolg van hetgeen hij (niet) heeft gedaan in het kader van zijn betrokkenheid bij de verbouwing(skosten) van het pand. Hij heeft daarbij onder meer gewezen op zijn bescheiden positie en de rol van de verantwoordelijk wethouder en zijn afdelingshoofd.

3.3. Voor de Raad is voldoende komen vast te staan dat appellant uit hoofde van zijn functie verantwoordelijk was voor onder andere het tijdig en op adequate wijze signaleren van eventuele financiële problemen die zich bij de verbouwing van het pand konden voordoen. Dat laatste heeft appellant niet gedaan.

3.4. Appellant heeft aangevoerd dat hij pas eind april/begin mei 2003 op de hoogte was van de budgetoverschrijding. Toen ontving hij namelijk de brief van 22 april 2003 van [naam besloten vennootschap] waarin een voorlopige kostenopgave was vermeld van € 749.948,-. De Raad stelt vast dat appellant in het door hem ten behoeve van de gemeenteraadsvergadering van 13 mei 2003 geredigeerde voorstel met betrekking tot de huurovereenkomst van het pand geen melding heeft gemaakt van deze voorlopige kostenopgave of van de budgetoverschrijding. Evenmin heeft appellant aanleiding gezien nadien een voorstel te redigeren ten behoeve van votering van een aanvullend hoger kredietbedrag.

3.5. De Raad is voorts niet gebleken dat appellant toen hij van de aanzienlijke budgetoverschrijding wist, er voor heeft gezorgd dat wethouder R en het afdelingshoofd tijdig en adequaat daarover zijn geïnformeerd.

3.6.1. Weliswaar heeft appellant gesteld dat hij nadat hij eind april/begin mei 2003 van de overschrijding op de hoogte was, wethouder R meerdere keren mondeling daarover heeft geïnformeerd, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de wethouder op voldoende indringende wijze heeft gewezen op de omvang van de overschrijding. Voorts acht de Raad het door appellant op 10 juli 2003 aan de wethouder R toegezonden overzicht van de tot dan toe gemaakte verbouwingskosten in ieder geval niet adequaat nu daarin deze kosten niet zijn afgezet tegen het door de gemeenteraad gevoteerde kredietbedrag, waardoor hieruit niet duidelijk blijkt dat er sprake was van een aanzienlijke budgetoverschrijding.

3.6.2. Voorts is de Raad gebleken dat appellant het afdelingshoofd niet eerder dan op 20 oktober 2003 over de overschrijding heeft geïnformeerd. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat hij ervan was uitgegaan dat de wethouder het afdelingshoofd hiervan wel eerder tijdens hun tweewekelijks overleg op de hoogte had gesteld.

Aangezien het afdelingshoofd budgethouder was met betrekking tot de verbouwing van het pand, had hij een groot belang bij een tijdige en adequate informatievoorziening met betrekking tot eventuele financiële problemen. Naar het oordeel van de Raad had appellant hierin aanleiding moeten zien uit eigen beweging het afdelingshoofd op de aanzienlijke budgetoverschrijding te attenderen.

3.6.3. Ook heeft appellant nagelaten zijn afdelingshoofd op de hoogte te stellen van de in november 2003 ontvangen afrekening van de tot dan toe gemaakte verbouwingskosten van € 907.713,91. Dat appellant eerst de eindafrekening die in februari 2004 zou komen, had willen afwachten, zoals hij heeft betoogd, vormt daarvoor naar het oordeel van de Raad geen rechtvaardiging.

Appellant vervulde in het project een belangrijke rol. Hij wist dat het project (voor de wethouder) belangrijk was en hij had en/of nam grote handelingsvrijheid, onder andere in relatie tot [naam besloten vennootschap]

3.7. Uit het vorenstaande volgt dat het college op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat appellant onvoldoende adequaat en tijdig heeft gehandeld ten aanzien van de budgetoverschrijding met betrekking tot de verbouwing van het pand. Dat kennelijk ook andere functionarissen binnen de gemeente onvoldoende besef van hun verantwoordelijkheden hebben getoond ter zake van het verbouwingsproject - de wethouder R is afgetreden en ook het afdelingshoofd is vertrokken -, ontheft appellant niet van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de financiële bewaking van dit project.

De Raad is dan ook van mening dat voldoende feitelijke grondslag aanwezig is voor het door het college gestelde verlies van zijn vertrouwen in appellant. Voorts is aannemelijk dat de daardoor ontstane verstoring van de werkrelatie een onherstelbaar en blijvend karakter heeft gekregen. Het college was dan ook bevoegd om appellant met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO ontslag te verlenen. Uit hetgeen door appellant naar voren is gebracht, is niet gebleken dat het college bij het gebruiken van die bevoegdheid heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig rechtsbeginsel.

4. Dat betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD

09.04