Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1208

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
06-7394 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Primair strafontslag, subsidiair ontslag wegens ongeschiktheid voor het ambt van politieman, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Gewelddadigheden in privé-sfeer.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 94, geldigheid: 2008-04-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/156

Uitspraak

06/7394 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 november 2006, 06/809 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Gelderland-Zuid (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 maart 2008, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.E.F. Kooren en J. Wierda, beiden werkzaam bij de politieregio Gelderland-Zuid.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was ten tijde van belang werkzaam als hoofdagent van politie in het team [naam team] van de politieregio Gelderland-Zuid. In januari 2005 is de districtschef van appellant ingelicht over een gesprek dat de echtgenote van appellant (hierna: B), eveneens werkzaam bij de politieregio Gelderland-Zuid, heeft gevoerd met haar leidinggevende en waarin zij melding maakte van door appellant jegens haar begane gewelddadigheden.

1.2. Nadat B meerdere malen was gehoord, is een disciplinair onderzoek naar de gedragingen van appellant ingesteld. In het kader daarvan is appellant enkele malen verhoord. Blijkens de tot de gedingstukken behorende processen-verbaal van die verhoren heeft appellant erkend dat hij in de zomer van 2003 tijdens een wandeling B heeft meegetrokken in een sloot en zich tegen haar heeft afgezet om weer uit de sloot te geraken, waardoor zij even onder water kwam. Verder heeft hij erkend dat B in februari 2004 bij een worsteling om een mobiele telefoon, waarmee hij zojuist een vrouw had gebeld met wie hij een buitenechtelijke relatie onderhield, haar hoofd ernstig heeft gestoten tegen een muur en dat hij in de daarop volgende ochtend getracht heeft B op het toilet te bedwelmen met een met ether doordrenkte doek die hij stevig tegen haar gezicht heeft gedrukt. Ten slotte heeft hij erkend dat hij in maart 2004 bij een echtelijke twist heeft getracht B met een heupworp tegen de grond te werken.

1.3. De korpsbeheerder heeft voormelde gedragingen aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim en heeft appellant bij besluit van 19 juli 2005 primair ontslag verleend bij wijze van disciplinaire straf en bepaald dat deze straf onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Subsidiair heeft de korpsbeheerder bij dit besluit appellant met onmiddellijke ingang ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor het ambt van politieman, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. De korpsbeheerder heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 10 januari 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover daarbij het strafontslag is gehandhaafd en dat besluit in zoverre vernietigd. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Alleen laatstbedoeld onderdeel van de aangevallen uitspraak is in hoger beroep aan de orde.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp), voor zover thans van belang, kan de ambtenaar anders dan op zijn aanvraag worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

3.2. De hiervoor onder 1.2. vermelde incidenten zijn ook in hoger beroep door appellant niet betwist. Aan appellant zijn alle stukken in verband met het tegen hem ingestelde disciplinaire onderzoek overhandigd waarna hij in de gelegenheid is gesteld om daarop zijn reactie te geven in een verantwoordingsgesprek. In dit op 29 april 2005 gevoerde gesprek met medewerkers van het Bureau Interne Onderzoeken, waar appellant zich heeft doen bijstaan door een belangenbehartiger, zijn alle genoemde incidenten ter sprake gekomen. Dit in aanmerking nemende is de Raad van oordeel dat de enkele omstandigheid dat in zowel het primaire als het bestreden besluit wordt volstaan met een korte aanduiding van die incidenten geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de korpsbeheerder zijn standpunt dat appellant niet geschikt is voor de functie van politie-functionaris niet van een voldoende feitelijke grondslag heeft voorzien. Bij appellant kon geen misverstand bestaan over de feiten waarop de korpschef dat standpunt heeft gebaseerd.

3.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat reeds het bedwelmen van B met ether het standpunt van de korpsbeheerder dat het appellant ontbreekt aan de voor een politieagent vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling, genoegzaam rechtvaardigt. Dat, naar appellant stelt, dit gedrag was ingegeven door een echtelijke twist doet daaraan niet af. De andere incidenten versterken het beeld dat appellant onvoldoende weerstand kan bieden aan zijn neiging om zijn wil dwingend, onder toepassing van geweld, aan anderen op te leggen en dat hij om die reden ongeschikt is voor het politieambt. Deze ongeschiktheid raakt, naar de korpsbeheerder terecht heeft overwogen, de kern van de politiefunctie. Het oordeel van de rechtbank dat het bieden van een verbeterkans gezien de aard van het gedrag achterwege kon blijven acht de Raad in de gegeven omstandigheden niet onjuist.

3.4. Ingevolge artikel 94, tweede lid, van het Barp, voor zover thans van belang, kan een ontslag op grond van het eerste lid, onderdeel g, eerst ingaan vier weken nadat het ontslagbesluit aan de ambtenaar is bekendgemaakt, tenzij sprake is van dringende redenen.

3.5. Naar het oordeel van de Raad kan de korpsbeheerder niet staande houden dat sprake was van dringende redenen in voormelde zin. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat appellant reeds buiten functie was gesteld, dat hem de toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen was ontzegd en voorts dat geen sprake was van een grote inbreuk op het aanzien van het korps nu meerbedoelde incidenten zich geheel in de privésfeer hebben afgespeeld en daaraan bovendien weinig ruchtbaarheid is gegeven. Het ontslagbesluit is aan appellant uitgereikt op 15 augustus 2005 zodat het ontslag eerst kon ingaan op 13 september 2005. Bij het bestreden besluit is het ontslag dus ten onrechte gehandhaafd wat de ingangsdatum betreft. Het bestreden besluit dient, evenals de aangevallen uitspraak, in zoverre te worden vernietigd.

3.6. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en, onder herroeping in zoverre van het besluit van 19 juli 2005, de ontslagdatum te bepalen op 13 september 2005.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de in het besluit van 10 januari 2006 gehandhaafde ontslagdatum in stand is gelaten;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond;

Vernietigt in zoverre het besluit van 10 januari 2006;

Herroept het besluit van 19 juli 2005 wat betreft de ingangsdatum van het ontslag en bepaalt deze op 13 september 2005;

Bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 10 januari 2006;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de politieregio Gelderland-Zuid;

Bepaalt dat de politieregio Gelderland-Zuid aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 211,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) M.D.F. de Moor.

HD

15.04