Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1202

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
06-5574 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf. Deugdelijke motivering? Weigering lening bedrijfskapitaal, aangezien onderneming niet levensvatbaar.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 3, geldigheid: 2008-04-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 158

Uitspraak

06/5574 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2006, 05/5216 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College)

Datum uitspraak: 22 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.C. Mourits, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.B.H. Fijneman, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sinds 1 april 1997 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Op 29 januari 2004 heeft appellante bij het College ingevolge het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004) een aanvraag ingediend om bijstand ter voorziening in zowel de behoefte aan bedrijfskapitaal als in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, dit in verband met haar voornemen, een haarwinkel te starten. Bij besluit van 4 juni 2004 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat de onderneming niet levensvatbaar is. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

Op 23 november 2004 heeft appellante opnieuw een aanvraag als vorenbedoeld ingediend. Bij besluit van 18 januari 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen, wederom op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar is.

Naar aanleiding van een bij het College gerezen vermoeden dat appellante zou samenwonen met [naam partner], de vader van haar in 1987 en in 1990 geboren kinderen, is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn twee bezoeken aan de woning van appellante afgelegd en zijn appellante en [naam partner] gehoord.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van

15 februari 2005 de bijstand van appellante met ingang van 1 december 2004 te beëindigen (lees: in te trekken). Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellante in haar woning een gezamenlijke huishouding voert met [naam partner], waarvan zij het College niet op de hoogte heeft gebracht.

Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van

18 januari 2005 en 15 februari 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

18 oktober 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [naam partner].

De aanvraag van appellante van 23 november 2004 is naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen nu zij gelet op het inkomen van [naam partner] niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in het Bbz 2004.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking van de bijstand

De Raad stelt allereerst vast dat het College de bijstand bij besluit van 15 februari 2005 heeft ingetrokken met ingang van 1 december 2004 en de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het College deze intrekking per 1 december 2004 onverkort gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire (intrekkings)besluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 december 2004 tot en met 15 februari 2005.

Centraal in dit geschil staat de vraag of appellante ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [naam partner]. Nu uit hun relatie kinderen zijn geboren dient daartoe gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB, te worden beoordeeld of appellante en [naam partner] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Appellante en [naam partner] stonden ten tijde hier van belang ingeschreven op verschillende woonadressen. Volgens vaste rechtspraak behoeft het aanhouden van afzonderlijke woonadressen niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de conclusie van het College dat appellante en [naam partner] ten tijde in geding gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het adres van appellante op een toereikende grondslag berust. Daartoe heeft de rechtbank met name van belang geacht dat appellante en [naam partner] zich bij de ABN-AMRO bank hebben gepresenteerd als een echtpaar, dat [naam partner] zijn administratie naar de woning van appellante liet sturen, dat deze administratie bij een aan de woning van appellante gebracht huisbezoek gemengd met haar administratie is aangetroffen en dat, mede gezien de verklaring van [naam partner] dat hij regelmatig in die woning verblijft, aannemelijk is dat de in de grote slaapkamer aangetroffen herenkleding, waaronder ondergoed, en (heren)badslippers aan hem toebehoren.

Hoewel voormelde gegevens, tezamen en in onderling verband bezien, wijzen in de richting van gezamenlijk hoofdverblijf in die woning van appellante, is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat die aanwijzingen nog niet toereikend zijn om het bestaan van een zodanig hoofdverblijf in voldoende mate aannemelijk te achten. Het College heeft slechts summier nader onderzoek verricht naar de feitelijke woonsituatie van [naam partner] op het adres waar hij ten tijde in geding stond ingeschreven en waar hij een kamer had. Blijkens een zich onder de stukken bevindend e-mailbericht van 20 december 2004, dat overigens niet in de besluitvorming is betrokken, is wel bezoek aan dat adres gebracht doch werd er niet opengemaakt. De buurvrouw bleek [naam partner] niet te kennen en zei dat er allerlei vreemde figuren in het pand komen. Niet gebleken is dat aan appellante en [naam partner] concrete vragen zijn gesteld ter zake van zijn feitelijke woonsituatie op laatstgenoemd adres. Evenmin zijn aldaar observaties verricht, noch is getracht nadere informatie te verkrijgen door het bevragen van verschillende buren dan wel bewoners van het pand. Ook zijn geen observaties bij de woning van appellante verricht en is ook daar geen buurtonderzoek gedaan.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de intrekking van de aan appellante verleende bijstand in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berust.

De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij een oordeel is gegeven over de intrekking van de bijstand met ingang van 1 december 2004. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2005 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2005 ongegrond is verklaard. De Raad ziet tevens aanleiding het besluit van 15 februari 2005 te herroepen omdat daaraan hetzelfde gebrek kleeft en niet aannemelijk is dat dit thans nog kan worden hersteld.

De afwijzing van de aanvraag ingevolge het Bbz 2004 van 23 november 2004

Nu het oordeel van de rechtbank inzake dit onderdeel van het besluit van 18 oktober 2005 onlosmakelijk is verbonden met haar ondeugdelijk bevonden oordeel omtrent het gezamenlijk hoofdverblijf van betrokkenen, dient de aangevallen uitspraak ook in zoverre te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Raad als volgt.

Indien een eerdere aanvraag om bijstand is afgewezen en de belanghebbende dient een nieuwe aanvraag in gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het volgens vaste rechtspraak van de Raad op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de eisen om voor bijstand in aanmerking te komen.

Aan haar aanvraag van 23 november 2004 heeft appellante ten grondslag gelegd dat zij de externe financiering inmiddels rond heeft. Tevens heeft zij benadrukt dat het bedrijfsresultaat van de door haar op te zetten onderneming beter is bij de inzet van een vrijwilliger dan bij inschakeling van betaald personeel. Dit is evenwel een omstandigheid die reeds is betrokken bij de afwijzing van de eerdere aanvraag van appellante om bijstand op de voet van het Bbz 2004. Daartoe wijst de Raad erop dat in het bedrijfseconomische advies waarop de eerdere afwijzing is gebaseerd, al is geconcludeerd dat in geval van inzet van een vrijwilliger de continuïteit en derhalve de levensvatbaarheid van de onderneming onder druk komt te staan. Ook hetgeen appellante overigens bij haar aanvraag van 23 november 2004 heeft aangevoerd omtrent de wijze van financiering toont niet aan dat het bedrijf van appellante nu wel als levensvatbaar moet worden aangemerkt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het College de onderhavige aanvraag van appellante terecht heeft afgewezen.

Dit betekent dat de Raad de aangevallen uitspraak in zijn geheel zal vernietigen en het

besluit van 18 oktober 2005 voor zover het deze aanvraag betreft in stand zal laten.

De proceskosten

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2005 gegrond;

Vernietigt het besluit van 18 oktober 2005 voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2005 ongegrond is verklaard;

Herroept het besluit van 15 februari 2005;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Rotterdam;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R. van der Spoel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB2404