Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
06-7433 AW en 07-4839 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag met onmiddellijke ingang. Is voldoende vast te komen staan dat betrokkene de (niet-geregistreerde) parkeerbonnen in vuilniszakken heeft gedaan en de vuilniszakken op straat heeft gezet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/154

Uitspraak

06/7433 AW en 07/4839 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 november 2006, 06/1765 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Op 8 augustus 2007 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Betrokkene heeft een reactie op dit nieuwe besluit ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.E. Blonk, werkzaam bij de politieregio Utrecht. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J.M. van Sambeek, werkzaam bij de politievakorganisatie ACP.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als administratief medewerkster C bij de Regionale Verkeersdienst van het district Lekstroom van de politieregio Utrecht. In deze functie was zij in hoofdzaak belast met het invoeren van bekeuringen in het administratieve verwerkingssysteem van de politie (hierna: TOBIAS-systeem). Deze invoering geschiedt door het Bureau Centrale Afdeling Bekeuringen (hierna: BCAB) te Bilthoven. Met betrokkene was evenwel de afspraak gemaakt dat zij de bekeuringen (hierna: TOBIAS-bonnen of bonnen) mocht invoeren op het politiebureau te IJsselstein. De bonnen werden daartoe vanaf het politiebureau te Bilthoven pakketsgewijs aan betrokkene verzonden of persoonlijk afgeleverd op het politiebureau te IJsselstein. Na invoering stuurde betrokkene de bonnen terug naar het BCAB en verzocht zij per e-mail om toezending van nieuwe bonnen.

1.2. Op 7 maart 2005 heeft de Reinigings- en havendienst (hierna: RHD) van de gemeente Utrecht op verscheidene plaatsen binnen de gemeente vuilniszakken opgehaald die te vroeg waren buiten gezet. Ook in de buurt van de woning van betrokkene zijn vuilniszakken opgehaald. Vervolgens zijn de zakken onderzocht op adresgegevens om de identiteit van de overtreders te achterhalen. Daarbij is in een van de zakken een groot aantal TOBIAS-bonnen (volgens appellant 172) aangetroffen die nog niet in het TOBIAS-systeem waren verwerkt. In de betrokken vuilniszak zijn geen gegevens aangetroffen waaruit de identiteit van de overtreder kon blijken.

1.3. Omdat appellant vermoedde dat de bonnen van betrokkene afkomstig waren, heeft hij een disciplinair onderzoek ter zake ingesteld.

Na afronding van dit onderzoek heeft appellant bij besluit van 13 september 2005 betrokkene met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie met onmiddellijke ingang de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Bij besluit op bezwaar van 10 maart 2006 heeft appellant dit ontslagbesluit gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 10 maart 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen, dit met bijkomende bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat onvoldoende is komen vast te staan dat betrokkene de bonnen in de vuilniszak heeft gedaan. Immers, de RHD heeft op 7 maart 2005 in totaal 25 te vroeg buiten geplaatste vuilniszakken opgehaald, en dit niet alleen in de wijk waarin betrokkene woont. Niet duidelijk is waar de bewuste vuilniszak is opgehaald. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan dat betrokkene de aangetroffen bonnen in haar bezit heeft gehad. Daarbij is erop gewezen dat bij het BCAB (destijds) niet werd geregistreerd aan wie welke bonnen werden uitbesteed. Ten slotte was de rechtbank van oordeel dat appellant onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke betrokkenheid van andere personen die baat konden hebben bij het verdwijnen van de bonnen. Hierbij heeft de rechtbank onder meer gewezen op B, een elders werkzame, in dezelfde wijk als die van betrokkene woonachtige politiemedewerker, die heeft verklaard op verzoek van een medewerker van het BCAB op 7 maart 2005, in elk geval vóór 12.00 uur, TOBIAS-bonnen te hebben afgegeven aan betrokkene op het politiebureau te IJsselstein. Deze aflevering is door betrokkene steeds ontkend, waartoe zij erop heeft gewezen dat zij op 7 maart 2005 om 12.01 uur een e-mailbericht heeft verzonden naar de groepschef bij het BCAB met een verzoek om toezending van nieuwe TOBIAS-bonnen; volgens betrokkene had zij dit verzoek niet gedaan als zij kort tevoren bonnen van B zou hebben ontvangen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak ingebracht dat de rechtbank onvoldoende waarde heeft gehecht aan de verklaring van V, medewerker van de RHD, dat het hem onwaarschijnlijk lijkt dat de bewuste vuilniszak buiten de wijk waarin betrokkene woont, is opgehaald. Voorts betreft één van de plaatsen waar de vuilniszakken zijn opgehaald de plaats waar betrokkene gewoonlijk haar vuilniszakken neerzet. Daarbij komt dat geen enkel ander bij het BCAB werkzaam persoon indertijd woonachtig was in Utrecht.

Bovendien acht appellant van belang dat betrokkene er kort vóór de vondst van de bonnen op is aangesproken dat zij 50 à 60 bonnen te laat had ingestuurd om nog ter correctie naar de desbetreffende verbalisanten te sturen, omdat de voor afhandeling van de bekeuringen gestelde maximale termijn van drie maanden inmiddels was verstreken. De in de vuilniszak aangetroffen TOBIAS-bonnen dateren alle van de periode november-december 2004 en waren derhalve, gelet op het verstrijken van voormelde termijn van drie maanden, niet meer voor eventueel nodige correctie vatbaar. Betrokkene had er dus belang bij dergelijke bonnen niet terug te sturen naar het BCAB. Gezien genoemde dateringen van de bonnen kunnen dit ook niet de bonnen zijn die aan B ter aflevering aan betrokkene zijn meegegeven, aldus appellant.

3.2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt voorop dat op geen enkele wijze enig direct bewijs is geleverd dat de in de vuilniszak aangetroffen TOBIAS-bonnen door betrokkene in die vuilniszak zijn gedaan noch dat deze bonnen in het bezit van betrokkene zijn geweest. Van de aan betrokkene geleverde bonnen is geen registratie bijgehouden, zelfs niet wat de aantallen betreft.

De feiten en omstandigheden die er volgens appellant op wijzen dat betrokkene zich niettemin aan de haar verweten gedraging heeft schuldig gemaakt, hebben de Raad niet tot de overtuiging kunnen brengen dat betrokkene zich daaraan inderdaad heeft schuldig gemaakt. De Raad merkt daarbij nog op dat zeker niet valt uit te sluiten dat de vuilniszak met de bonnen is opgehaald in een andere wijk dan die waarin betrokkene woont en dat evenmin is uit te sluiten dat een ander persoon dan betrokkene zich van de bonnen heeft ontdaan. Niet duidelijk is ook hoe zulke oude, niet in het TOBIAS-systeem ingevoerde bonnen nog in het bezit van betrokkene konden zijn, nu betrokkene kennelijk ook in 2005 om nieuwe zendingen bonnen heeft gevraagd. Verder gaat het hier om (parkeer)bonnen die snel en eenvoudig ingevoerd kunnen worden. Daarbij tekent de Raad aan dat de 50 à 60 onder 3.1. bedoelde bonnen al wel (veel) eerder door betrokkene in het systeem waren ingevoerd en alleen nog niet door haar waren teruggezonden naar het BCAB. Bovendien is het door appellant gestelde belang dat betrokkene zou hebben gehad bij het wegdoen van de bonnen, speculatief van aard en van onvoldoende betekenis om het plegen van het haar door appellant verweten plichtsverzuim als (voldoende) vaststaand aan te nemen.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Ten aanzien van het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 8 augustus 2007, waartoe het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt, overweegt de Raad als volgt.

5.1. Alvorens dit besluit te nemen heeft appellant een aanvullend disciplinair onderzoek doen instellen. In dat kader is op 5 april 2007 onder anderen V, medewerker van de RHD, gehoord. Deze heeft toen verklaard dat zich onder de op 7 maart 2005 opgehaalde vuilniszakken twee blauwe zakken bevonden die op een plaats nabij de woning van betrokkene stonden. In één van die blauwe zakken zijn de bonnen aangetroffen. Op grond van deze verklaring kan naar de mening van appellant thans als voldoende vaststaand gelden dat de TOBIAS-bonnen zijn aangetroffen in een vuilniszak die zich in de directe nabijheid van de woning van betrokkene bevond.

De Raad kan hierin niet met appellant meegaan. Voornoemde verklaring is immers niet goed in overeenstemming te brengen met de verklaring die V op 11 maart 2005 heeft afgelegd en die inhield dat het hem onwaarschijnlijk leek dat de bewuste vuilniszak buiten de wijk waarin betrokkene woont, is opgehaald. Deze laatste verklaring die van enkele dagen na het ophalen van de vuilniszakken dateert, is veel minder gedetailleerd en stellig dan de latere verklaring en komt er op neer dat de zak waarschijnlijk in de wijk van betrokkene is opgehaald. Niet valt dan in te zien hoe V op 5 april 2007 tot een verklaring kon komen als hiervoor weergegeven. De stelling van appellant dat op 11 maart 2005 waarschijnlijk onvoldoende is doorgevraagd, geeft geen grond daarover anders te denken, reeds omdat V, die tevens opsporingsambtenaar was, zich ervan bewust moet zijn geweest dat elk meer specifiek gegeven van belang kon zijn.

5.2. Voorts heeft appellant in zijn besluit opgemerkt niet te kunnen verklaren waarom betrokkene op 7 maart 2005 om een nieuwe zending bonnen heeft gevraagd als zij even tevoren al een pakket bonnen van B zou hebben verkregen.

5.3. Ook voor het overige heeft appellant in zijn nieuwe besluit geen feiten of omstandigheden genoemd die de Raad alsnog tot de overtuiging hebben kunnen brengen dat betrokkene zich aan het haar verweten plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt.

5.4. Gezien het vorenstaande dient het besluit van 8 augustus 2007 te worden vernietigd.

6. In het licht hiervan meent de Raad ervan te moeten uitgaan dat appellant niet in staat is zijn standpunt dat betrokkene plichtsverzuim valt te verwijten, deugdelijk te onder-bouwen. De Raad ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit van 13 september 2005 te herroepen.

7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

Betrokkene heeft verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu de Raad het besluit van 13 september 2005 zal herroepen wegens aan appellant te wijten onrechtmatigheid is er aanleiding appellant op grond van artikel 7:15 in verbinding met artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van betrokkene in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het besluit van 8 augustus 2007;

Herroept het besluit van 13 september 2005;

Veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,- , te betalen door de politieregio Utrecht;

Bepaalt dat van de politieregio Utrecht een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD

08.04