Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1190

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
06-6541 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WW-uitkering omdat betrokkene een ZW-uitkering ontving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6541 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 oktober 2006, 05/5959 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant was als productiemedewerker werkzaam via uitzendbureau Vedior. Op 15 januari 2005 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 22 juni 2005 heeft het Uwv de aanvraag om WW-uitkering afgewezen omdat appellant niet aan de wekeneis voldeed. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit op bezwaar van 27 september 2005 ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellant beroep ingesteld.

3. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen een nader onderzoek in te stellen. Het Uwv heeft bij besluit van 6 juni 2006 het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard omdat appellant wel meer dan 26 weken heeft gewerkt, maar nog steeds geen recht op een WW-uitkering bestaat. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant op basis van het dienstverband bij Vedior reeds een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen en aansluitend aan de ZW-periode weer is gaan werken.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 september 2005 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat besluit. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 6 juni 2006 ongegrond verklaard omdat appellant op 19 september 2002 een uitkering ontving op grond van de ZW, zodat sprake was van een uitsluitingsgrond. Daarbij stelt de rechtbank vast dat appellant tijdens de hoorzitting in de bezwaar-procedure zelf te kennen heeft gegeven dat de ingangsdatum van de WW-uitkering 19 september 2002 moest zijn. Appellant had geen recht op een WW-uitkering per die datum. Voorts is het naar het oordeel van de rechtbank niet aan het Uwv om te zoeken naar enig moment nadien waarop wel recht op WW-uitkering zou kunnen ontstaan. Met het Uwv is de rechtbank van oordeel dat appellant een nieuwe aanvraag kan indienen indien hij van mening is dat op een ander moment recht op WW bestaat.

5. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het aan appellant is om uit te zoeken of op grond van zijn arbeidshistorie een recht op uitkering krachtens de WW zou kunnen bestaan. Appellant stuit daarbij op grote problemen om de juiste gegevens te vinden, terwijl het voor het Uwv een betrekkelijk eenvoudige zaak moet zijn om de juiste gegevens om het recht op WW-uitkering te beoordelen, te produceren. Ten onrechte wordt dan ook de bewijslast bij appellant gelegd, waardoor hij zijn uitkeringsrecht niet kan effectueren.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. In geding is de vraag of de rechtbank terecht het standpunt van het Uwv heeft onderschreven dat per 19 september 2002 geen recht bestaat op WW-uitkering omdat appellant per die datum een ZW-uitkering ontving en dat het op de weg van appellant ligt om een aanvraag te doen indien hij van mening is dat op een later moment recht op WW-uitkering bestaat.

6.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met wat in eerste aanleg naar voren is gebracht, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

6.3. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P. Boer.

BvW

313