Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
07-1744 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand voor alleenstaande. Geen afdoende antwoord op de vraag hoe in levensonderhoud - en dat van de echtgenote - is voorzien. Bankafschriften geven alleen de vaste lasten aan. Geen kasopnames.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1744 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 februari 2007, 06/1447 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray (hierna: het College)

Datum uitspraak: 22 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Z.M.K.J. Berger, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Berger. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.P. Frenk, werkzaam bij de gemeente Venray.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 10 mei 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een heronderzoek heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft appellant onder meer afschriften van zijn rekening bij de ABN-AMRO bank overgelegd.

Bij besluit van 15 november 2005 heeft het College, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2005 beƫindigd (lees: ingetrokken).

Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het College, voor zover hier van belang, de intrekking van de bijstand gehandhaafd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de (omvang van) zijn werkzaamheden en de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud - en dat van zijn echtgenote - heeft voorzien, waardoor zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juli 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover hierbij het beroep tegen de intrekking van de bijstand ongegrond is verklaard. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het College met de door hem bij aanvullend beroepschrift overgelegde loongegevens wel degelijk in staat was het recht op bijstand vast te stellen en dat hem niet valt te verwijten dat hij die gegevens niet eerder heeft verstrekt. Voorts betoogt appellant dat de rechtbank hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat zijn werkgever de inlichtingenplicht van artikel 63 van de WWB heeft geschonden en bovendien heeft miskend dat het College hem ingevolge artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter zake van die nalatigheid van zijn werkgever nader had dienen te horen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat het College de bijstand bij besluit van 15 november 2005 heeft ingetrokken met ingang van 1 september 2005 en de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het College deze intrekking per 1 september 2005 onverkort gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire (intrekkings)besluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 september 2005 tot en met 15 november 2005.

Zoals hiervoor is overwogen, ligt aan het besluit tot intrekking van de aan appellant verleende bijstand ten grondslag dat appellant de ingevolge artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft nageleefd en dat dientengevolge zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dat de werkgever van appellant geen gevolg heeft gegeven aan zijn verplichting de door het College bij hem opgevraagde loongegegevens te verstrekken, kan, anders dan appellant kennelijk meent, er niet aan afdoen dat appellant een zelfstandige plicht heeft tot het verschaffen van de nodige inlichtingen. Het College heeft voorts geen aanleiding hoeven zien appellant nader te horen naar aanleiding van de nalatigheid van zijn werkgever nu die omstandigheid niet van aanmerkelijk belang was voor de op het bezwaar van appellant te nemen beslissing. De desbetreffende betogen falen.

Het betoog van appellant dat op grond van de door hem in de beroepsfase alsnog verstrekte loonstroken en jaaropgave 2005 zijn recht op bijstand wel degelijk viel vast te stellen, faalt eveneens. Die gegevens vormen slechts een onderdeel van de voor de vaststelling van dat recht op relevante gegevens.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant geen afdoende antwoord heeft gegeven op de vraag hoe hij in zijn levensonderhoud - en dat van zijn echtgenote - heeft voorzien. Zijn bankafschriften tonen slechts afschrijvingen voor vaste lasten. Zij laten bijvoorbeeld niet kasopnames zien waarmee de aankoop van levensmiddelen en van andere (dagelijkse) gebruiksgoederen kunnen worden betaald. Appellant ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft zijn stelling dat anderen hem en zijn echtgenote van het nodige hebben voorzien niet aannemelijk gemaakt. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij van belang waren voor de vaststelling van het recht op bijstand.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de rechtbank terecht en op juiste gronden heeft vastgesteld dat het College bevoegd was de bijstand met ingang van 1 september 2005 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken.

Het College heeft gehandeld overeenkomstig het ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van het beleid had moeten afwijken.

De aangevallen uitspraak komt derhalve, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R. van der Spoel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008.

(get.) Th. C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

AR280408