Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
07-180 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering voortzetting WW-uitkering: de werkzaamheden als zelfstandige zijn niet binnen een periode van anderhalf jaar na aanvang beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/180 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 november 2006, 06/3106 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 februari 2008 heeft appellant nadere stukken aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant ontving sinds 1 juli 2003 een WW-uitkering. Bij besluit van 13 augustus 2004 heeft het Uwv de uitkering per 2 augustus 2004 ingetrokken omdat appellant per die datum als zelfstandige is begonnen bij [naam bedrijf]. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Op 16 maart 2006 heeft appellant verzocht om voortzetting van de WW-uitkering met ingang van 15 maart 2006.

3. Bij besluit van 23 maart 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de WW-uitkering niet wordt voortgezet omdat appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige niet binnen achttien maanden na aanvang van die werkzaamheden heeft beëindigd.

4. Bij het bestreden besluit van 3 mei 2006 heeft het Uwv het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat appellant in verband met werkzaamheden als zelfstandige de hoedanigheid van werknemer per 2 augustus 2004 heeft verloren, zodat de WW-uitkering per die datum terecht is ingetrokken. Het werknemerschap kan op grond van artikel 8, tweede lid, van de WW worden herkregen indien de werkzaamheden als zelfstandige binnen een tijdvak van anderhalf jaar nadat die werkzaamheden een aanvang hebben genomen, zijn beëindigd. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de aanvraag van 16 maart 2006 deze periode ruimschoots was verstreken. Het Uwv heeft derhalve terecht aangenomen dat het werknemerschap van appellant definitief is geëindigd. Appellant heeft voorts geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de werkzaamheden als zelfstandige in die periode wel zijn beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de weigering om de WW-uitkering voort te zetten dan ook terecht gehandhaafd.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij pas per 1 januari 2005 als zelfstandige is gaan werken. Appellant heeft gesteld dat het Uwv niet heeft aangetoond dat hij over de periode 1 augustus 2004 tot en met 31 december 2004 als zelfstandige heeft gewerkt. Appellant heeft in die periode geen uitkering aangevraagd omdat hij niet wist hoe lang de verzorging van zijn vader zou duren en hij de verplichtingen van de WW-uitkering niet kon nakomen. Ten slotte heeft appellant gesteld dat hij over de periode 1 januari 2006 tot 15 maart 2006 niet heeft gewerkt en ook geen inkomen heeft genoten.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. In geding is de vraag of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv terecht de weigering om de WW-uitkering per 15 maart 2006 voort te zetten, heeft gehandhaafd op de grond dat appellant de werkzaamheden als zelfstandige niet binnen een periode van anderhalf jaar na aanvang daarvan heeft beëindigd.

7.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met wat in eerste aanleg naar voren is gebracht, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

7.3. Voorts overweegt de Raad dat voor de vaststelling of appellant als zelfstandige in de zin van artikel 8, tweede lid, van de WW moet worden aangemerkt niet van belang is of appellant voor zijn werkzaamheden is betaald. Dit betekent dat de stelling van appellant, dat de bewering van het Uwv dat hij in de geding zijnde periode heeft gewerkt niet juist is omdat hij niet is betaald, niet kan slagen.

7.4. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P. Boer.

BvW

313