Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
07-2398 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel: verlaging WW-uitkering gedurende 16 weken met 20%. Te weinig gesolliciteerd voorafgaand aan werkloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2398 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 maart 2007, 06/3967 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Bij besluit van 18 november 2005 heeft het Uwv de vervolguitkering van appellante ingevolge de WW voortgezet met ingang van 30 september 2005. Daarbij is het uitkeringspercentage bij wijze van maatregel gedurende 16 weken met 20% verlaagd omdat appellante te weinig heeft gesolliciteerd voordat zij werkloos werd. Tevens is aan appellante een waarschuwing gegeven omdat zij niet op tijd heeft gemeld dat zij werkloos is geworden.

2.2. Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.3. Bij het bestreden besluit van 24 maart 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij het volgende overwogen -waarbij voor eiseres appellante en voor verweerder het Uwv gelezen dient te worden-:

“De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres niet -met bewijsstukken- heeft aangetoond dat zij in de betreffende periode voldoende sollicitatieactiviteiten heeft ontplooid. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres slechts, zonder onderbouwing met nadere gegevens, heeft aangevoerd te hebben gesolliciteerd. Dienaangaande neemt de rechtbank in aanmerking dat het hierbij moet gaan om concrete gegevens zodat verweerder deze sollicitatieactiviteiten ook kan controleren. Nu eiseres niet met nadere gegevens heeft aangetoond dat zij in de betreffende periode heeft gesolliciteerd en verweerder vanwege het ontbreken van gegevens niets kan controleren, moet ervan worden uitgegaan dat zij geen sollicitatieactiviteiten heeft verricht voorafgaande aan haar werkloosheid. Op grond van deze omstandigheden kan niet staande worden gehouden dat eiseres in voldoende mate heeft getracht passende arbeid te verwerven. Verweerder was derhalve gehouden een maatregel op te leggen. Nu de rechtbank voorts niet van omstandigheden is gebleken die tot het aannemen van verminderde verwijtbaarheid nopen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft besloten eiseres een maatregel van 20% gedurende 16 weken op te leggen.”

4. De vraag of de aangevallen uitspraak stand kan houden beantwoordt de Raad bevestigend. Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten, terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven. De Raad merkt hierbij nog op dat, in tegenstelling tot hetgeen appellante meent, in voorkomende gevallen ook mondeling verrichte sollicitaties kunnen worden aangemerkt als concrete sollicitatieactiviteit. Echter ook bij mondeling verrichte sollicitaties moet zijn voldaan aan de eis dat deze sollicitatieactiviteiten verifieerbaar zijn. Appellante heeft over de beweerdelijke sollicitaties geen nadere gegevens, zoals data, (bedrijfs)namen en telefoonnummers, verstrekt. Gelet hierop dient geconcludeerd te worden dat de door appellante bedoelde sollicitaties niet verifieerbaar zijn, zodat hetgeen zij dienaangaande heeft aangevoerd niet tot het door haar gewenste doel kan leiden.

5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P. Boer.

RH

11/4