Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
07-2749 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering overname van de loonbetaling. Aanvraag niet tijdig ingedien. Geen bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2749 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 26 april 2007, 06/924 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.G.M. van der Meer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant was vanaf 10 mei 1999 als chauffeur werkzaam bij transportbedrijf [naam werkgever] (hierna: de werkgever). De arbeidsovereenkomst van appellant zou laatstelijk op 10 mei 2001 eindigen. Appellant heeft per 23 april 2001 ontslag genomen omdat de werkgever het salaris niet meer betaalde. Appellant heeft een WW-uitkering aangevraagd. Aan appellant is per 23 april 2001 een uitkering ingevolge hoofdstuk IIA van de WW toegekend. Voorts is hem door de uitvoeringsinstelling geadviseerd om ter zake van de achterstallige loonbetalingen een procedure te voeren. Appellant is deze procedure ook gestart. Op 20 november 2001 is de werkgever in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 12 december 2005 heeft de advocaat appellant op de hoogte gesteld van de brief van de bewindvoerder van 20 mei 2005 waarin is meegedeeld dat er onvoldoende saldo is om uitkering te doen. Appellant heeft dit aan het Uwv gemeld en verzocht om overneming van de loonbetaling over de periode 1 januari 2001 tot 23 april 2001.

3. Bij besluit van 16 februari 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat het recht op WW-uitkering niet kan worden vastgesteld voor de periode van 26 weken voorafgaande aan de datum waarop de aanvraag is ingediend. Nu de datum van het faillissement van de werkgever meer dan 26 weken voor de aanvraagdatum ligt en geen sprake is van een bijzondere omstandigheid, komen de loonbetalingen niet voor overneming in aanmerking.

4. Bij het bestreden besluit van 9 mei 2006 heeft het Uwv het tegen het besluit van 16 februari 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de periode waarover achterstallig loon wordt gevorderd meer dan 26 weken voor de aanvraag op 13 februari 2006 is gelegen, zodat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat artikel 23, eerste volzin, van de WW aan overneming in de weg staat. In bijzondere gevallen kan daarvan worden afgeweken, hetgeen restrictief moet worden uitgelegd. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval aangezien appellant in 2001 al op de hoogte was van het faillissement van de werkgever. Daarbij komt dat onbekendheid met de wettelijke regeling of de omstandigheid dat appellant niet is gewezen op het faillissement geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in de tweede volzin van artikel 23 van de WW oplevert. Dat appellant niet tijdig een aanvraag heeft ingediend, dient voor zijn risico te komen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het Uwv op de datum van de aanvraag om uitkering ingevolge hoofdstuk IIA van de WW niet hoefde aan te nemen dat de werkgever was opgehouden te betalen. Het was voor de uitvoeringsinstelling onvoldoende duidelijk welke reden ten grondslag lag aan het niet betalen door de werkgever. De rechtbank kan appellant dan ook niet volgen in de stelling dat de uitvoeringsinstelling hem had moeten informeren over het doen van een aanvraag om faillissementsuitkering, te meer nu tussen de aanvraag om een uitkering ingevolge hoofdstuk IIA van de WW en het faillissement een periode van zeven maanden was gelegen.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank niet juist is omdat het Uwv heeft nagelaten om hem bericht te zenden omtrent de mogelijkheid een beroep te doen op uitkering ingevolge hoofdstuk IV van de WW. Ook zijn toenmalige advocaat heeft nagelaten om hem te informeren over het doen van een aanvraag om een faillissementsuitkering.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. In geding is de vraag of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv terecht de overneming van de loonbetaling heeft geweigerd op de grond dat appellant niet tijdig een aanvraag daartoe heeft ingediend en geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 23 van de WW.

7.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met wat in eerste aanleg naar voren is gebracht, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

7.3. Ter zitting van de Raad heeft appellant nogmaals gesteld dat de uitvoeringsinstelling blijkens de rapporten van de buitendienstmedewerker op de hoogte was van het feit dat de werkgever appellant geen loon meer betaalde. De Raad is van oordeel dat wat hier ook van zij, dit niet betekent dat in een dergelijke situatie op een uitvoeringsinstelling steeds de verplichting rust om appellant te informeren over de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag om overneming van de loonbetaling.

7.4. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter . De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P. Boer.

BvW

313