Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1048

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
07-2778 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-verzekerd krachtens AKW. Gezien zwakke sociale binding en het ontbreken van economische binding op de peildatum niet als ingezetene aanmerken. Medische situatie brengt daarin geen verandering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2778 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 april 2007, 06/2035 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 24 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Spooren, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 19 juni 2007 zijn namens appellante de gronden van het hoger beroep ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2008, waar voor appellante is verschenen mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht. Voor de Svb is verschenen J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

Partijen zijn in dit geding verdeeld over het antwoord op de vraag of appellante op de peildatum van het tweede kwartaal 2006 als verzekerd in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die:

a) ingezetene is;

b) geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Niet in geschil is dat appellante op de peildatum niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.

Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar constante jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats heeft in Nederland heeft.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde peildatum niet gezegd kan worden dat de binding met Nederland dusdanig was dat appellante als ingezetene kan worden beschouwd.

Naar het oordeel van de Raad heeft appellante, die sedert 18 november 2001 in Nederland verblijft, een zwakke juridische binding aangezien aan haar op 7 november 2005 een verblijfsvergunning is toegekend voor bepaalde tijd op grond van medische behandeling. De beperking die aan de verblijfsvergunning is verbonden duidt namelijk op een tijdelijk verblijf in Nederland. Appellante ontvangt sedert 3 januari 2006 een uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand en per 7 april 2006 beschikt zij over zelfstandige woonruimte. Hieruit volgt dat appellante op de peildatum van het tweede kwartaal niet reeds een economische binding had met Nederland. Dat, zoals ter zitting door de raadsman van appellante is betoogd, er op 1 april 2006 al zicht was op de verkrijging van de woning maakt dat niet anders. Ten aanzien van de sociale binding van appellante met Nederland op de peildatum is de Raad van oordeel dat deze zwak is omdat appellante geen familie in Nederland heeft, zij geen lid is van een vereniging of kerkgenootschap en geen cursus Nederlands of andere opleiding volgde.

Aan het bovenstaande kan niet afdoen het feit dat appellante reeds drie jaar in Nederland verblijft. Hoewel een gerealiseerde verblijfsduur van drie jaar in het kader van de juridische binding een positieve aanwijzing kan vormen voor het aannemen van ingezetenschap merkt de Raad op dat in verband met de zwakke sociale binding en het ontbreken van een economische binding appellante op de peildatum niet als ingezetene kan worden beschouwd.

Evenmin kan de medische situatie van appellante, die, naar de Raad begrijpt, als vertragende factor heeft gewerkt bij het voldoen aan de vereiste bindingen, dermate zwaar wegen dat reeds op grond hiervan de conclusie getrokken moet worden dat er sprake is van ingezetenschap op de peildatum hier in geding.

Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat de Svb, de juridische, economische en sociale binding in onderlinge samenhang bezien, terecht en op goede gronden het bestreden besluit heeft genomen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Badermann.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

AR