Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1037

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
05-7219 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO-uitkering. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/7219 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 7 november 2005, 05/1424 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Eijk, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 1 maart 2006 een nader stuk overgelegd.

Namens appellant zijn bij brieven van 30 mei 2006, 22 mei 2007, 28 juni 2007,

31 juli 2007, 7 november 2007, 3 januari 2008 en 5 februari 2008 nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Eijk en begeleid door B.J.M. Lautenslager. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.W. Beers.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 26 mei 2003, nadat hem op 6 maart 2003 tijdens het werk een ongeval was overkomen, wegens rugklachten en pijn aan de rechterpols uitgevallen voor zijn werk als automonteur. Naderhand heeft appellant tevens psychische klachten gekregen.

Bij besluit van 20 juli 2004 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 3 augustus 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 27 januari 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van

20 juli 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 27 januari 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen in de voorhanden zijnde gegevens geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan, alsmede in hetgeen appellant heeft aangevoerd ten betoge dat zijn medische beperkingen bij het bestreden besluit zijn onderschat geen grond te zien voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts door het Uwv genoegzaam onderbouwd en toegelicht dat de belasting in de voor appellant geselecteerde en aan de schatting ten grondslag gelegde functies blijft binnen de ten aanzien van appellant aangenomen belastbaarheid. Met het vervullen van die functies kan appellant, zo heeft de rechtbank tot slot overwogen, een zodanig inkomen verwerven dat in vergelijking met het voor hem vastgestelde maatmaninkomen een verlies aan verdiencapaciteit van 17,7% resteert, zodat terecht een WAO-uitkering is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Appellant heeft in hoger beroep de door hem in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald. Hij blijft zich op het standpunt stellen dat bij het bestreden besluit zijn belastbaarheid is overschat, waarbij hij wijst op zijn rug- en polsklachten, alsmede zijn psychische klachten. Om deze reden zijn, zo is appellant van mening, ten onrechte de ten aanzien van hem geselecteerde functies aan hem voorgehouden als voor hem geschikte functies. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij een groot aantal verklaringen van behandelend artsen overgelegd, alsmede een rapportage van de door hem geraadpleegde medisch adviseur A. Krul-van Turenhout van Medicon B.V. te Nieuwegein van

18 januari 2006. Tevens heeft appellant de stukken overgelegd, behorende bij de zogenoemde eerste-jaars herbeoordeling, die heeft geleid tot het besluit dat de toegekende WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% ongewijzigd wordt voortgezet, tegen welk besluit bezwaar is gemaakt. Tegen het op dat bezwaar genomen besluit, waarbij het bezwaar gegrond is verklaard en de WAO-uitkering met ingang van 7 februari 2006 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, heeft appellant beroep ingesteld en ook de stukken van die beroepsprocedure, waaronder een in die procedure op verzoek van de rechtbank uitgebracht rapport van de psychiater drs. R. Thomassen, heeft hij ter onderbouwing van zijn gronden in dit geding overgelegd. Het Uwv heeft uiteindelijk besloten terug te komen op het in bezwaar genomen besluit en heeft alsnog aan appellant met ingang van 13 januari 2006 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Het Uwv heeft in verweer aangegeven in de veelheid van aangevoerde medische verklaringen geen nieuwe gegevens te zien en om die reden geen grond te zien om van het in het bestreden besluit neergelegde standpunt terug te komen. Van de zijde van het Uwv is de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn ingegaan op het door de medisch adviseur Krul-van Turenhout uitgebrachte rapport. Naar de opvatting van de bezwaarverzekeringarts bevatte ook dat rapport geen nieuwe medische gegevens en is de belastbaarheid, als weergegeven in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst van 1 juli 2004, correct vastgesteld.

Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat bij het bestreden besluit de belastbaarheid van appellant ten tijde in dit geding van belang, te weten 3 augustus 2004, juist is vastgesteld. De Raad acht de ten aanzien van appellant aangenomen belastbaarheid door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam onderbouwd en ziet in al hetgeen van de zijde van appellant daartegen is aangevoerd, waaronder het rapport van de medisch adviseur Krul-van Turenhout, geen grond voor een andersluidend oordeel. De Raad acht, mede gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van

15 februari 2006, waarin deze is ingegaan op laatstbedoeld rapport van de medisch adviseur Krul-van Turenhout, onvoldoende grond aanwezig om aan te nemen dat de ten aanzien van appellant aangenomen belastbaarheid is overschat. Hij overweegt daarbij tevens dat de omstandigheid dat het Uwv ten aanzien van een latere datum, te weten

13 januari 2006, heeft aangenomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, met name gelet op diens psychische klachten, dient te worden gesteld op de klasse 80 tot 100%, niet meebrengt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ten aanzien van de datum thans in geding is onderschat. Hij wijst daartoe op de door de bezwaarverzekeringsarts aangegeven opvatting dat het uit de voorhanden zijnde stukken blijkende beeld van appellants psychische gesteldheid op de datum thans in geding geen grond oplevert voor de stelling dat de medische beperkingen van appellant op die datum zijn onderschat, achter welke opvatting de Raad zich, gelet op de door de bezwaarverzekeringarts gegeven onderbouwing, kan stellen.

Met de bij het bestreden besluit ten aanzien van appellant aangenomen belastbaarheid moet appellant in staat worden geacht de aan hem geduide functies te vervullen nu de belasting in die functies, naar de Raad met de rechtbank aanneemt en op de door de rechtbank daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

Het hoger beroep treft derhalve geen doel, zodat wordt beslist als hieronder is vermeld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.W.A. Schimmel.

TM