Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1021

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
06-6157 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ongeschiktheid. Niet houden aan werktijden. Samenwerkingsproblemen. Niet openen van e-mailberichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/148

Uitspraak

06/6157 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 25 september 2006, 06/1741 en 06/1742 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 17 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 27 november 2006, 06/6158 AW-VV, heeft de voorzieningenrechter van de Raad het verzoek van appellant om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), toegewezen.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.J. Schaap, advocaat te Zwolle, en R.L.C.M. van Weert, werkzaam bij de gemeente [naam gemeente]. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar partner [naam partner].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sedert 1991 werkzaam als medewerker bestuurssecretariaat bij de gemeente [naam gemeente]. Dit secretariaat verricht werkzaamheden ten behoeve van het college en zijn leden.

1.2. Bij besluit van 21 december 2005 is betrokkene per 1 januari 2006 eervol ontslag verleend, met toepassing van artikel 8:6 van de Collectieve arbeidsvoorwaarden-regeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van haar betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Appellant heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 28 juni 2006, met dien verstande dat de ontslagdatum nader is gesteld op 16 juli 2006. Tevens heeft appellant gegarandeerd dat betrokkene een ontslaguitkering ontvangt gelijk aan de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10a van de CAR/UWO.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe - kort gezegd - overwogen dat de voorhanden zijnde gegevens appellants oordeel dat betrokkene ongeschikt is voor het vervullen van haar functie niet kunnen dragen. Voorts is de rechtbank onvoldoende gebleken dat binnen de organisatie van appellant enige bereidheid heeft bestaan om betrokkene te begeleiden naar een betere functievervulling.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd het volgende.

3.1. Aan het ontslag heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene:

a. zich na verschillende waarschuwingen en een disciplinaire straf opnieuw niet aan de vastgestelde werktijden heeft gehouden en zich ter rechtvaardiging van dit gedrag heeft beroepen op een door haar zelf aangepast, niet vastgesteld verslag van een werkoverleg van 22 september 2004;

b. samenwerkingsproblemen had met twee collega’s en voorts enkele privé

e-mailberichten en privé bestanden in de computer van haar collega B heeft bekeken en uitgeprint en vervolgens heeft overgelegd aan haar leidinggevende;

c. in 2004 en 2005 573 e-mailberichten van burgers en bedrijven gericht aan de gemeente [naam gemeente] ongeopend heeft gelaten, terwijl het tot haar taak behoorde deze te openen en door te geleiden naar de juiste personen of afdelingen.

3.2. Naar vaste jurisprudentie van de Raad moet de ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen en zal van ontslag in het algemeen niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren (CRvB 6 januari 2005, LJN AS2575).

3.3. Niet houden aan werktijden

3.3.1. Allereerst stelt de Raad vast dat betrokkene herhaaldelijk is gewaarschuwd niet te laat op het werk te verschijnen. Eerst nadat haar op 9 juni 2005 het voornemen is kenbaar gemaakt haar een disciplinaire straf op te leggen vanwege het in de daaraan voorafgaande periode herhaaldelijk te laat op het werk verschijnen, is betrokkene zich gaan houden aan de vastgestelde aanvangstijden. Uiteindelijk is betrokkene bij besluit van 22 september 2005 de disciplinaire straf van vermindering van het aantal verlofuren opgelegd vanwege het in de periode van 10 maart 2005 tot en met 18 mei 2005 herhaaldelijk te laat op het werk komen.

3.3.2. Ook is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat betrokkene zich in ieder geval in 2005 niet aan de tussen haar en haar leidinggevende gemaakte afspraken over de duur en eindtijd van haar lunchpauzes heeft gehouden. Uit de door appellant overgelegde gegevens uit het tijdsregistratiesysteem blijkt dat betrokkene regelmatig langer dan een half uur middagpauze nam en dat de eindtijd van haar middagpauze zeer vaak na

13.30 uur lag.

3.3.3. Met betrekking tot die lunchpauzes was blijkens het vastgestelde verslag van het werkoverleg van 22 september 2004 met de gemeentesecretaris een pauze tussen de middag afgesproken voor betrokkene en haar collega van elk maximaal een half uur tussen 12.30 uur en 13.30 uur. Deze afspraak is in het werkoverleg van 19 april 2005 opnieuw onder de aandacht van betrokkene en haar collega gebracht en vastgesteld in het verslag van dat overleg. Daarin is tevens de werktijd van betrokkene vastgesteld van 9.00 uur tot 17.30 uur (en niet later). Aan deze afspraken ligt ten grondslag dat de aard van de werkzaamheden van betrokkene met zich meebracht dat zij aanwezig diende te zijn op het moment dat de (leden van het college van) burgemeester en wethouders van haar diensten gebruik wensten te maken.

3.3.4. Betrokkene heeft aangevoerd dat zij in de veronderstelling verkeerde dat het haar wel vrijstond om langer dan een half uur middagpauze te hebben. Daarvoor heeft zij verwezen naar een door haar zelf opgesteld verslag van het werkoverleg van

22 september 2004. In dat verslag stond vermeld: “half uur pauze tussen de middag, in principe van 12.45-13.15 uur (indien langere pauze - maximaal tussen 12.30 en 13.30 uur - even melden aan elkaar)”. Nadat op 21 oktober 2004 het verslag van het werkoverleg van 22 september 2004 was vastgesteld heeft betrokkene deze door haar zelf opgestelde versie van het verslag aan haar leidinggevende toegezonden. Toen die leiding-gevende niet reageerde is betrokkene ervan uitgegaan dat het was toegestaan langer dan een half uur met middagpauze te gaan, hetgeen zij dan ook vervolgens regelmatig deed.

3.3.5. De Raad merkt hierover op dat zolang een gewijzigd verslag niet is vastgesteld, in beginsel uitgegaan dient te worden van het vastgestelde verslag. Betrokkene had dan ook niet zonder meer uit het niet reageren van haar leidinggevende op het door haar aangepaste verslag mogen afleiden dat hij het eens was met de daarin opgenomen afspraken met betrekking tot de duur van haar lunchpauzes. Alvorens overeenkomstig de door haar zelf aangepaste afspraken te handelen, had betrokkene eerst daarover bij haar leidinggevende navraag moeten doen.

In ieder geval had het betrokkene duidelijk moeten zijn geweest dat langer pauzeren dan een half uur niet was toegestaan, toen deze afspraak in het werkoverleg op 19 april 2005 opnieuw onder haar aandacht was gebracht. De Raad stelt evenwel vast dat betrokkene zich ook nadien niet aan die afspraak heeft gehouden.

3.3.6. Dat betrokkene haar langere middagpauzes heeft gecompenseerd door regelmatig na 17.30 uur door te werken, zoals zij heeft gesteld, is naar het oordeel van de Raad geen rechtvaardiging voor het niet nakomen van de met haar gemaakte afspraken over de duur van haar middagpauze. Die afspraken strekten er juist toe een doorlopende bezetting van het secretariaat gedurende de middagpauze te garanderen. Bovendien is met betrokkene afgesproken dat zij niet na 17.30 uur mocht doorwerken.

3.3.7. Betrokkenes stelling dat zij meestal op vrijdag een langere pauze had dan een half uur omdat dan minder wethouders aanwezig waren waardoor er minder van haar diensten gebruik werd gemaakt, doet niet af aan het feit dat zij zich op eigen gezag niet heeft gehouden aan de tussen haar en haar leidinggevende gemaakte afspraken.

3.3.8. Gezien de oplegging van de disciplinaire maatregel wegens het niet houden aan de werktijden en het feit dat betrokkene zich ook niet heeft gehouden aan de met haar gemaakte afspraken omtrent de duur en tijden van haar lunchpauzes nadat haar deze afspraken opnieuw onder de aandacht waren gebracht, is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het bieden van een verbeterkans op dit punt achterwege kon blijven.

3.4. Samenwerkingsproblemen

3.4.1. Blijkens de gedingstukken waren er problemen in de samenwerking tussen betrokkene enerzijds en haar achtereenvolgende directe collega’s V en B. Met appellant stelt de Raad vast dat deze problemen niet uitsluitend aan betrokkene zijn toe te schrijven, maar uit de gedingstukken blijkt wel dat betrokkenes houding en gedrag in belangrijke mate hebben bijgedragen aan het ontstaan en voortbestaan van deze samenwerkingsproblemen.

3.4.2. Uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene handelde overeenkomstig de door haar zelf opgestelde regels, soms in afwijking van eerder met haar door de leidinggevende gemaakte afspraken. Een goed voorbeeld daarvan is haar hiervoor onder 3.3. beschreven opstelling en handelwijze met betrekking tot haar middagpauzes.

Dit eigengereide optreden alsmede haar wijze van communiceren, haar solistische wijze van werken en haar geringe bereidheid de werkwijze op het secretariaat te veranderen, zijn bron geweest van irritatie voor directe collega’s. Regelmatig is betrokkene op haar houding en gedrag aangesproken, maar dat heeft niet tot verbetering geleid. Meestal was zij namelijk van oordeel dat haar niets te verwijten viel.

3.4.3. Ook het openen van de privé e-mailberichten en privébestanden van haar collega B, en het uitprinten en overhandigen daarvan aan haar leidinggevende, heeft de arbeidsrelatie in ernstige mate geschaad. Weliswaar had betrokkene toestemming om tijdens de afwezigheid van B met het oog op voortgang van haar werkzaamheden de nog ongeopende e-mailberichten op de computer van B te bezien, maar dat betekende niet dat betrokkene ook toestemming had de reeds eerder door B geopende (privé) e-mailberich-ten in te zien. Voor het uitprinten en overhandigen van deze privé e-mailberichten en privébestanden bestond naar het oordeel van de Raad in ieder geval geen geldige reden.

3.5. Niet openen van e-mailberichten

3.5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene vanaf 2003 tot en met 2005 een zeer groot aantal e-mailberichten van burgers, bedrijven en instellingen gericht aan de gemeente [naam gemeente], niet heeft geopend, terwijl dat wel tot haar taak behoorde. Betrokkene meent dat haar hiervan geen verwijt is te maken aangezien zij als gevolg van een nieuw systeem dat in december 2004 op de computer is geïnstalleerd, geen toegang meer had tot de mailbox van het bestuurssecretariaat. Voorts was de verwachting van betrokkene dat een groot gedeelte van de e-mailberichten uit reclame en zogeheten cc–post bestond, die gelijktijdig aan de functionele afdeling dan wel aan de medewerker werd gericht en uit dien hoofde in behandeling werd genomen.

3.5.2. De Raad stelt vast dat betrokkene voor het niet openen van de e-mailberichten die zijn verzonden vóórdat het nieuwe systeem was geïnstalleerd geen deugdelijke reden heeft aangevoerd.

3.5.3. Voorts acht de Raad het niet aannemelijk dat betrokkene door het nieuwe systeem geen toegang meer had tot de mailbox van het bestuurssecretariaat. Volgens de systeem-beheerder diende betrokkene uitsluitend op het +-teken van haar persoonlijke mailbox te klikken om de map van de mailbox van het bestuurssecretariaat zichtbaar te maken en vervolgens te openen. Daarover heeft betrokkene instructies gekregen ten tijde van het installeren van het nieuwe systeem.

3.5.4. Maar ook al zou betrokkene wel problemen hebben gehad met het openen van de mailbox van het bestuurssecretariaat, dan is voor de Raad niet komen vast te staan dat betrokkene alles heeft gedaan, wat in redelijkheid van haar verwacht kon worden om die problemen op te lossen.

Betrokkene heeft gesteld dat zij tot drie keer toe de systeembeheerder tevergeefs heeft benaderd met het verzoek om de problemen met betrekking tot het niet kunnen openen van de mailbox van het bestuurssecretariaat op te lossen. Daargelaten of die stelling juist is, is de Raad van oordeel dat betrokkene, toen bleek dat die problemen niet snel werden opgelost, de zaak niet op haar beloop had mogen laten, maar op zijn minst haar leiding-gevende over die problemen had moeten informeren. Door dit na te laten is betrokkene ook op dit punt te kort geschoten in haar functievervulling. Het openen van de mailbox van het bestuurssecretariaat en het vervolgens doorgeleiden naar de juiste personen en afdelingen behoorden immers tot haar taak en tot haar verantwoordelijkheid. Dat een groot gedeelte van ongeopende e-mailberichten wellicht reclame dan wel zogeheten cc-post was, is naar het oordeel van de Raad geen rechtvaardiging voor haar nalatigheid.

3.5.5. Nu betrokkene reeds eerder op haar functioneren was aangesproken, het hier een wezenlijk onderdeel van haar functie betrof en zij de onaanvaardbaarheid van haar nalaten zelf kon en moest beseffen, is de Raad anders dan de rechtbank van oordeel dat het bieden van een (nadere) verbeterkans ook op dit punt achterwege kon blijven.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het besluit van 28 juni 2006 alsnog ongegrond moet worden verklaard.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 juni 2006 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD