Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1017

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
06/6570 WWB, 07/6614 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuursorgaan geen juiste uitvoering gegeven aan uitspraak van rechtbank. Aangezien nader onderzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden zal opleveren en gezien de duur van de procedure, voorziet de Raad zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6570 WWB

07/6614 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Loenen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 oktober 2006, 06/2729 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 28 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.F.A. Vos, werkzaam voor de gemeente Loenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J.M.F. Honders, advocaat te Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Betrokkene en zijn echtgenote [L.] (hierna ook: [L.]) ontvingen tot 21 mei 2001 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Per 21 mei 2001 is deze norm gewijzigd en ontving betrokkene bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder op de grond dat betrokkene en [L.] duurzaam gescheiden leefden. Per 3 oktober 2001 is de bijstand van betrokkene vastgesteld naar de norm voor een alleenstaande in verband met bereiken van de 18-jarige leeftijd van zijn zoon.

Bij besluit van 26 mei 2005 heeft appellant de bijstand van betrokkene over de periode van 1 juni 2001 tot 1 mei 2005 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 54.625,73 van betrokkene teruggevorderd. Appellant heeft daarbij overwogen dat uit onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat betrokkene feitelijk niet was verlaten door zijn echtgenote, zodat hij niet langer aangemerkt kan worden als een zelfstandig subject van bijstand. Door niet te melden dat betrokkene weer een gezin met zijn echtgenote vormde heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De door betrokkene verstrekte gegevens zijn onvoldoende om het recht op bijstand achteraf nog te kunnen vaststellen. Verifieerbaar bewijs van de periodes dat [L.] bij betrokkene heeft gewoond en overige gegevens die van belang zijn voor het kunnen vaststellen van het recht op bijstand zijn niet verstrekt.

Bij besluit van 16 juni 2005 heeft appellant de periode van intrekking van de bijstand nader bepaald op 1 juni 2001 tot 2 april 2005. Vanaf 2 april 2005 is betrokkene weer bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een maximale toeslag.

Bij besluit van 12 september 2005 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 26 mei 2005, zoals gewijzigd bij besluit van 16 juni 2005, ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 6 april 2006 het door betrokkene tegen het besluit van 12 september 2005 ingesteld beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Ten slotte heeft de rechtbank beslissingen gegeven omtrent griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe - samengevat - overwogen dat betrokkene in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft verzuimd appellant te informeren gedurende welke perioden [L.] in de echtelijke woning verbleef en welke perioden zij in het buitenland was. Door die schending kon appellant het recht op bijstand van betrokkene over de in geding zijnde periode niet vaststellen. Appellant was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) bevoegd om de over die periode verleende bijstand in te trekken. De rechtbank is voorts van oordeel dat de wijze waarop appellant van de in artikel 54, derde lid, van de WWB neergelegde bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft in dat kader overwogen dat niet is betwist dat [L.] grote delen van het jaar afwezig was en dat niet valt uit te sluiten dat in de perioden dat [L.] aanwezig was betrokkene recht had op bijstand naar de norm voor een gehuwde. Niet gebleken is dat de arbeidsinschakeling van [L.] in die perioden prioriteit zou hebben gehad. Voorts heeft betrokkene gedurende de gehele periode, dus ook in de periode dat hij wellicht recht op een hogere uitkering zou hebben gehad, slechts uitkering voor een alleenstaande ontvangen. Nu het besluit tot intrekking niet in stand kan blijven, kan evenmin het besluit tot terugvordering in stand blijven.

Noch appellant noch betrokkene is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

Appellant heeft naar aanleiding van genoemde uitspraak op 1 juni 2006 opnieuw op het bezwaar van betrokkene beslist. Appellant heeft bij dat besluit overwogen dat naar zijn oordeel de rechtbank heeft bedoeld aan te geven dat de financiële consequenties van het primaire besluit moeten worden verzacht. Appellant heeft daarom besloten om het besluit tot terugvordering te herzien in die zin dat daaraan de uitdrukkelijke toezegging wordt toegevoegd dat - voor zover hier van belang - het restant van de vordering wordt kwijtgescholden indien betrokkene gedurende vijf jaar aan zijn aflossingsverplichting heeft voldaan. Bij een aflossingsbedrag van 8% van de toepasselijke bijstandsnorm voor gehuwden komt de aflossing neer op een bedrag van € 92,-- per maand. Bij ongewijzigde voortzetting van de uitkering naar de norm voor gehuwden betekent dit een terugbetaling van minder dan € 6.000,--.

Betrokkene heeft tegen het besluit van 1 juni 2006 bij de rechtbank beroep ingesteld.

Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 juni 2006 vernietigd en, met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten, appellant opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat appellant met het besluit van 1 juni 2006 geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 6 april 2006.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Allereerst merkt de Raad op dat appellant naar aanleiding van de thans aangevallen uitspraak betrokkene bij brief van 23 januari 2007 heeft bericht dat het griffierecht alsmede de proceskosten aan hem worden betaald. Voorts heeft appellant aangegeven dat de reeds gedane inhoudingen op de uitkering van betrokkene met onmiddellijke ingang worden beëindigd en dat de reeds betaalde termijnen zo spoedig mogelijk worden terugbetaald. De Raad merkt deze brief aan als een mededeling van feitelijke aard en niet als een besluit in de zin van art 1:3 van de Awb en daarmee - tevens - niet als een besluit als bedoeld in art 6:18, eerste lid, van de Awb.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Nu de rechtbank van oordeel was dat het in strijd is met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel om de bijstand over de gehele periode volledig in te trekken is aan de orde de vraag in welke mate intrekking van de over de periode van 1 juni 2001 tot 2 april 2005 verleende bijstand daarmee niet in strijd zou zijn.

Appellant heeft bij besluit van 1 juni 2006 zowel de intrekking als de terugvordering over de gehele in geding zijnde periode gehandhaafd. In die zin heeft appellant geen juiste uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 6 april 2006. De rechtbank heeft het besluit van 1 juni 2006 dan ook terecht vernietigd.

Anders dan de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding om appellant (nogmaals) de opdracht te geven een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat de totale procedure inmiddels geruime tijd heeft geduurd alsmede het gegeven dat nader onderzoek thans geen nieuwe van belang zijnde feiten en omstandigheden meer zal opleveren. Voorts heeft de Raad vastgesteld dat appellant bij het besluit van 1 juni 2006 tevens een besluit tot invordering heeft genomen en in dat kader de invordering heeft beperkt tot een bedrag neerkomend op vijf jaar maandelijks een aflossingsbedrag van € 92,-- derhalve in totaal (afgerond) € 5.500,--. Naar het oordeel van de Raad is een intrekking over de periode van 1 juni 2001 tot 2 april 2005 die leidt tot een terugvordering tot een bedrag van € 5.500,-- niet in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

Gelet hierop zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de bijstand over de periode van 1 juni 2001 tot 2 april 2005 wordt ingetrokken tot een bedrag van € 5.500,--. Tevens zal de Raad bepalen dat de terugvordering van de bijstand wordt vastgesteld op een bedrag van € 5.500,--.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij aan appellant de opdracht is gegeven opnieuw op het bezwaar van betrokkene te beslissen;

Bepaalt dat de over de periode van 1 juni 2001 tot 2 april 2005 aan betrokkene verleende bijstand wordt ingetrokken tot een bedrag van € 5.500,--.

Bepaalt dat van appellant de over genoemde periode gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd tot een bedrag van € 5.500,--.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.A. Willems-Dijkstra als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) T.A. Willems-Dijkstra.

AR