Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1014

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-5326 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslagbesluit. Plaatsingsbesluit. Medition en vakantietoeslag geen onderdeel van bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/150

Uitspraak

06/5326 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2006, 05/5750 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak:17 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.D. de Rooij, advocaat te Rotterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam, en prof.dr. C.G. de Vries en mr. M.H. Carp, beiden werkzaam aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: EUR).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was vanaf 1988 werkzaam als secretaresse bij de [naam Faculteit] (hierna: [Faculteit]) van de EUR. In augustus 1998 is zij door ziekte (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geworden. Dit heeft geleid tot een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO). In augustus 2004 is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45 tot 55%. Appellante is tot dat moment, ook toen zij korte tijd - achteraf ten onrechte - voor de toepassing van de WAO volledig arbeidsgeschikt werd geacht, zeer beperkt belast gebleven met werkzaam-heden. De door het college gedane pogingen om tot re-integratie van appellante te komen, zijn zonder succes gebleven.

1.2. Op 28 september 2004 heeft een gesprek plaatsgevonden met appellante in aanwezig-heid van onder anderen prof.dr. De Vries en het hoofd van de afdeling Personeel & Organisatie van de [Faculteit]. Daar is de afspraak gemaakt dat appellante uiterlijk 1 oktober 2004 een voorstel tot hervatting van 50% van daarvoor in aanmerking komende secretaressewerkzaamheden zou ontvangen. Op het per e-mail gedane voorstel het werk op maandag 4 oktober 2004 te hervatten, is namens appellante door haar echtgenoot afhoudend gereageerd. Appellante is daarop de opdracht gegeven op 4 oktober te beginnen met haar werkzaamheden. De echtgenoot van appellante heeft hierop namens haar (zeer) negatief gereageerd. Na verdere e-mailwisseling die niet tot hervatting leidde, heeft het college appellante bij aangetekende brief van 14 oktober 2004 medegedeeld dat de eerste dag van haar werkhervatting nu is bepaald op 19 oktober 2004. Daaraan is toe-gevoegd dat de EUR genoodzaakt is andere maatregelen te overwegen indien appellante geen gevolg geeft aan de oproep tot werkhervatting. Na een opnieuw afhoudende reactie door de echtgenoot van appellante, namens haar, is zij bij brief van 12 januari 2005 voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld haar werkzaamheden te hervatten op 18 januari 2005. Ditmaal is medegedeeld dat als niet zou worden voldaan aan de oproep of sommatie, een ontslagprocedure in gang gezet zou worden en dat overgegaan zou worden tot het laten vervallen van haar aanspraak op bezoldiging.

1.3. Toen appellante haar werk niet had hervat, is haar met ingang van 1 maart 2005 ontslag verleend met toepassing van artikel 12.6b van de CAO Nederlandse Univer-siteiten (hierna: CAO). Dit artikel verschaft het college de bevoegdheid ontslag te verlenen indien de wegens ziekte arbeidsongeschikte werknemer zonder deugdelijke grond weigert passende arbeid te verrichten. Na bezwaar is dat ontslag gehandhaafd bij het besluit van 24 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit).

1.4. Inmiddels was door het college - in het kader van de invoering van het nieuwe systeem van functieordenen - bij besluit van 16 december 2004 (hierna: fuwabesluit) de functie van appellante ingedeeld in het functieprofiel: secretaresse 3. Van de mogelijk-heid tegen het fuwabesluit bezwaar te maken, heeft appellante geen gebruik gemaakt.

1.5. In het kader van de reorganisatie van de [Faculteit] is bij besluit van 25 januari 2005 (hierna: plaatsingsbesluit) definitief besloten appellante als secretaresse (capgroepniveau 3) te plaatsen binnen het organisatieonderdeel Bedrijfseconomie. Na bezwaar is dit plaatsingsbesluit gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Zij meent dat de rechtbank bij haar oordeelsvorming onvoldoende de gehele voorgeschiedenis heeft betrokken en de zeer fijne nuance in deze kwestie heeft miskend: het college heeft bij appellante de verwachting gewekt slechts één onhaalbaar doel te hebben, namelijk onvoorwaardelijke werkhervatting. De sommatie haar werkzaamheden te hervatten, was naar de mening van appellante ongepast en onterecht nu zij nog onbeantwoorde vragen had. Het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:Uwv) gegeven deskundigenoordeel had, als onvoldoende gemotiveerd, niet mogen worden gebruikt. Er is ten onrechte geen opzegtermijn gehanteerd, aldus appellante.

Ten aanzien van het plaatsingsbesluit heeft zij betoogd dat ten onrechte sprake is van een functie op capgroepniveau 3 en dat onbegrijpelijk is dat zij, nu zij slechts voor 50% arbeidsgeschikt is, geplaatst is op een voltijdse functie.

4. Het college acht de aangevallen uitspraak juist. Het heeft ten aanzien van het plaatsingsbesluit het nadere standpunt ingenomen, dat het besluit wat betreft het - door appellante betwiste - functieniveau niet was gericht op zelfstandig rechtsgevolg. Dat rechtsgevolg was al eerder in het leven geroepen, namelijk bij het in rechte onaantastbaar geworden onder 1.4. vermelde besluit van 16 december 2004. Het bezwaar tegen het plaatsingsbesluit zou dus in zoverre alsnog niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

5. Naar aanleiding hiervan overweegt de Raad als volgt.

5.1. Het ontslagbesluit.

5.1.1. De Raad kan appellante niet volgen in haar kritiek op de motivering die de rechtbank heeft gegeven van de verwerping van de grieven van appellante tegen het ontslagbesluit. Blijkens de onder 1.1. en 1.2. weergegeven feiten heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat het college niet plotseling is overgegaan tot het nemen van het ontslagbesluit. Het college heeft niet alleen meerdere re-integratiepogingen gedaan, het heeft daarover ook op redelijke wijze met appellante gesproken. Verder is appellante herhaalde malen de kans gegeven op haar schreden (van weigerachtigheid) terug te keren. De omstandigheid dat er (wellicht) nog onbeantwoorde vragen waren, verschaft een ambtenaar als appellante natuurlijk niet een deugdelijke grond om te weigeren te voldoen aan de redelijke opdracht passend werk te komen verrichten. De Raad verwerpt het standpunt van appellante dat zij heel andere werkzaamheden verrichtte, met leiding-gevende elementen, dan die zij zou moeten gaan verrichten in de haar opgedragen functie.

5.1.2. De Raad ziet niet in dat de rechtbank niet mede acht heeft mogen slaan op het op verzoek van appellante door het Uwv uitgebrachte deskundigenoordeel. De kritiek van appellante op dat oordeel treft geen doel. Aan het slot van een tien bladzijden tellende rapportage heeft de betrokken arbeidsdeskundige begrijpelijkerwijs geconcludeerd dat appellante niet voldoende stappen heeft ondernomen om tot werkhervatting te komen. Een andersluidend deskundigenoordeel is van de kant van appellante niet in het geding gebracht.

5.1.3. De Raad volgt de rechtbank en het college in hun oordeel dat bij het verlenen van een ontslag op grond van artikel 12.6b van de CAO niet een opzegtermijn in acht genomen behoeft te worden. De CAO kent een dergelijke verplichting niet en zij volgt ook niet redelijkerwijs uit deze bepaling, gelet op het bijzondere karakter van de daarin vervatte sanctie.

5.1.4. De Raad komt ten aanzien van het ontslagbesluit dan ook tot de slotsom dat dit door de rechtbank op goede gronden in stand is gelaten.

5.2. Het plaatsingsbesluit.

5.2.1. De Raad volgt het nadere standpunt van het college zoals is weergegeven onder 4. Daarom is het bestreden besluit op dit onderdeel niet juist en moet ook de aangevallen uitspraak worden vernietigd voor zover die betrekking heeft op het plaatsingsbesluit.

5.2.2. De Raad verwerpt de grief van appellante dat zij ten onrechte is geplaatst op een voltijdse functie. Die plaatsing is immers logisch en juist, nu appellante ten tijde van het besluit, ondanks haar langdurige gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, nog steeds een voltijdse aanstelling had en dus aanspraak maakte op een plaatsing in een functie van gelijke omvang. Verder werd appellante aangemerkt als functievolger.

5.2.3. Gelet op hetgeen de Raad over het plaatsingsbesluit heeft overwogen, zal hij het bezwaar tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaren voor zover dat bezwaar betrekking heeft op de indeling (niveaugroep) van de functie van appellante en zal hij dat bezwaar voor het overige ongegrond verklaren.

5.3. Verdere grieven.

5.3.1. Hetgeen van de kant van appellante is aangevoerd met betrekking tot een door haar gewenste mediation, kan niet leiden tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak. Over mediation ging immers het bestreden besluit niet en het behoefde daarover ook niet te gaan.

5.3.2. Met betrekking tot het al dan niet betaald hebben van vakantietoeslag en spaarloon over de maand februari 2005 overweegt de Raad in gelijke zin. De in dit geding voorliggende besluiten gaan daarover niet en behoeven daarover ook niet te gaan.

6. De Raad ziet in het bovenstaande aanleiding om het college met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 322,- aan kosten van juridische bijstand en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van juridische bijstand, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit voor zover dat beroep betrekking heeft op het besluit van 25 januari 2005;

Verklaart dat beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 25 januari 2005;

Verklaart het bezwaar tegen dat besluit niet-ontvankelijk voor zover dat bezwaar betrekking heeft op de indeling (niveaugroep) van de functie van appellante en verklaart dat bezwaar voor het overige ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 966,-, te betalen door de Erasmus Universiteit Rotterdam;

Bepaalt dat de Erasmus Universiteit Rotterdam aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 349,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en M.C. Bruning en D.A.C. Slump als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD