Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1011

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-6624 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet feitelijk woonachtig op het opgegeven adres. Woning onderverhuurd? Bevoegdheid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2008-04-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 183
ABkort 2008/212

Uitspraak

06/6624 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 oktober 2006, 05/1201 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

1. het Algemeen Bestuur van het openbaar lichaam Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland, gevestigd te Gulpen (hierna: Algemeen Bestuur);

2. het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.E.H. Seegers, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Namens het openbaar lichaam Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland (hierna: openbaar lichaam Pentasz) is een verweerschrift ingediend. Voorts is een besluit van het College aan de Raad gezonden. De Raad heeft toegestaan dat het College als partij aan het geding deelneemt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Seegers. Het Algemeen Bestuur en het College hebben zich laten vertegenwoordigen door M.T.P.P. Gijsens, werkzaam bij het openbaar lichaam Pentasz.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden

Appellante ontving vanaf 17 maart 2003 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Zij heeft aan het College opgegeven woonruimte te huren op het adres [adres]. Appellante heeft op het rechtmatigheidsformulier over de maand juli 2004 vermeld dat zij op 6 juli 2004 is verhuisd naar Maastricht. Naar aanleiding van een mededeling van de zijde van de verhuurders van de woning van appellante, [verhuurder 1] (hierna: [verhuurder 1]) en haar echtgenoot (hierna: [verhuurder 2]), inhoudende dat appellante niet op het opgegeven woonadres heeft verbleven, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn onder meer [verhuurder 1] en [H. ], (hierna: [H. ]) aan wie de woonruimte van appellante vanaf 1 juli 2004 werd verhuurd, gehoord. Op basis van de bevindingen van het onderzoek, die zijn neergelegd in een rapport van 7 oktober 2004, heeft het Algemeen Bestuur geconcludeerd dat appellante gedurende de periode van 1 mei 2003 tot en met 30 juni 2004 niet feitelijk woonachtig is geweest op het bij de regionale sociale dienst bekende adres en dat appellante dit in strijd met haar inlichtingenverplichting niet heeft gemeld.

Bij besluit van 8 oktober 2004 heeft het Algemeen Bestuur de bijstand van appellante over de hiervoor genoemde periode ingetrokken, en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 15.487,64. Bij besluit van 3 mei 2005 heeft het Algemeen Bestuur het tegen het besluit van 8 oktober 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, het beroep tegen het besluit van 3 mei 2005 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat dit besluit namens het Algemeen Bestuur is genomen door dezelfde functionaris die ook de primaire beslissing namens het Algemeen Bestuur heeft genomen. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Zij heeft met name aangevoerd dat ten onrechte doorslaggevende betekenis is toegekend aan de verklaring van [H. ].

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad overweegt eerst ambtshalve het volgende. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 18 september 2007, LJN BB3987 en 11 december 2007, LJN BC0874, is de Raad van oordeel dat het Algemeen Bestuur niet bevoegd was de besluiten van 8 oktober 2004 en 3 mei 2005 te nemen. Ten tijde hier van belang berustte deze bevoegdheid nog bij het College. Het College heeft in zijn vergadering van 26 januari 2008 besloten: het besluit van 8 oktober 2004 en het besluit van 3 mei 2005 inclusief alle reeds aangevoerde en nog aan te voeren verweren en aanvullingen ten aanzien van deze besluiten inclusief het eventueel daaraan ten grondslag liggende beleid integraal voor zijn rekening te nemen, en mevrouw M.T.P.P. Gijsens te machtigen het College te vertegenwoordigen ter zitting van de Raad op11 maart 2008 in de onderhavige zaak. Met inachtneming hiervan, zal de Raad beoordelen of de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 3 mei 2005 terecht in stand heeft gelaten.

Appellante heeft haar grief ten aanzien van de verklaring van [H. ] in de eerste plaats onderbouwd met de stelling dat [H. ] ten tijde van belang de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, waarbij zij zich heeft beroepen op een brief van 23 september 2004 van de Gerrit van de Pasch Stichting, een stichting die zich bezig houdt met hulp aan uitgeprocedeerde asielzoekers. In die brief wordt verklaard dat de kennis en beheersing van de Nederlandse taal van [H. ] slecht is, dat er bij afspraken met haar altijd iemand aanwezig moet zijn om te vertalen en dat zij niet zonder hulp officiële stukken kan ondertekenen. Het standpunt van appellante vindt voorts steun in hetgeen [verhuurder 1] bij de rechtbank als getuige heeft verklaard. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt immers dat [verhuurder 1] - zoals zij aangaf - met handen en voeten Nederlands en Duits heeft gesproken met [H. ]. Voor de Raad staat dan ook niet vast dat [H. ] zonder hulp van een tolk naar behoren kon worden verhoord. Daarnaast blijkt uit de verklaring van de sociale recherche van 15 februari 2007 dat [verhuurder 2] aanwezig is geweest bij het verhoor van [H. ]. In aanmerking genomen dat - zo is verder gebleken - [H. ] voor [verhuurder 2] werkzaam was en huurster was van woonruimte van [verhuurder 2], staat niet vast dat [H. ] in vrijheid heeft kunnen verklaren. Dat, zoals de sociale recherche heeft aangegeven, [verhuurder 2] zich bij het verhoor afzijdig heeft gehouden, maakt dat niet anders. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat aan de inhoud van het proces-verbaal van het horen van [H. ] niet de doorslaggevende betekenis mag worden gehecht die het Algemeen Bestuur daaraan heeft toegekend.

Voor het overige ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt dat appellante gedurende de in geding zijnde periode niet op het adres Seffenterstraat 20 te Vaals woonachtig is geweest. De verklaring van [verhuurder 1] dat zij appellante pas in maart 2004 heeft ontmoet en dat zij er tot die tijd vanuit is gegaan dat [H. ] huurster was van de woonruimte, acht de Raad niet geloofwaardig, in aanmerking genomen dat [verhuurder 2] en [verhuurder 1] voor de in geding zijnde periode niet met [H. ] een huurcontract hebben gesloten, maar haar wel als schoonmaakster hadden ingehuurd. In dit verband merkt de Raad verder op dat appellante in maart/april 2004 een conflict heeft gehad met de verhuurders over het (hoge) verbruik van elektriciteit, dat appellante toen ter plaatse aanwezig was en op dat verbruik is aangesproken, dat de verhuurders daarvoor aan appellante de rekening hebben gepresenteerd en dat de verhuurders vervolgens pas bij brief van 24 juni 2004 aan appellante hebben bericht dat zij de desbetreffende woonruimte zonder toestemming heeft onderverhuurd.

De Raad komt tot de conclusie dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 3 mei 2005 ten onrechte in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient dan ook te worden vernietigd. De Raad zal doen wat de rechtbank zou behoren te doen.

Het besluit van 8 oktober 2004 berust op dezelfde, hiervoor ondeugdelijk gebleken grondslag. De Raad is van oordeel dat dit gebrek bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar niet kan worden hersteld. De Raad ziet dan ook aanleiding, mede met het oog op een definitieve beslechting van het geschil, gebruik te maken van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid door het besluit van 8 oktober 2004 te herroepen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding het Algemeen Bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Herroept het besluit van 8 oktober 2004;

Veroordeelt het Algemeen Bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- , te betalen door het openbaar lichaam Pentasz aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het openbaar lichaam Pentasz het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter, en K. Zeilemaker en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) P. Broekman.

AR090408