Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1010

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-3798 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Medische urenbeperking aangewezen? Eerst in hoger beroep afdoende arbeidskundige onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3798 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 mei 2006, 05/3722 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.J. den Braber, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008. Met voorafgaand bericht is appellante noch haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren [in] 1979, was werkzaam als administratief medewerkster toen zij op 13 juni 2000 uitviel als gevolg van vermoeidheidsklachten. In verband hiermee is aan haar met ingang van 12 juni 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 19 juli 2005 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 juli 2005 ingetrokken onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.

Het namens appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 oktober 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 27 juli 2005, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellante met inachtneming van die beperkingen geschikt was haar eigen werkzaamheden in volle omvang te verrichten. Daarnaast werd appellante geschikt geacht voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies op grond waarvan, na vergelijking van de loonwaarde van de middelste van drie functies met de hoogste lonen met het voor appellante geldende maatmaninkomen, evenmin sprake was van enig verlies aan verdiencapaciteit.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat het Uwv op zorgvuldige wijze de belastbaarheid en de beperkingen van appellante heeft vastgesteld. Voorts is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom appellante geschikt kan worden geacht voor haar eigen werkzaamheden, maar dat voldoende duidelijk is dat zij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies moet kunnen vervullen, als gevolg waarvan er geen sprake is van enig verlies aan verdiencapaciteit.

In hoger beroep voert appellante aan dat het gebruik van het Claim Beoordelings- en BorgingsSysteem (CBBS) bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid leidt tot een onvoldoende inzichtelijk en verifieerbaar besluit. Daarnaast stelt appellante dat haar mogelijkheden worden overschat en dat er, mede in ogenschouw genomen de Standaard Verminderde Arbeidsduur, ten onrechte geen urenbeperking is vastgesteld. Tot slot voert appellante aan dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch en arbeidskundig opzicht niet passend zijn.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van het Uwv in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt als volgt.

Wat betreft het medische aspect van de in geding zijnde beoordeling is de Raad van oordeel dat de mogelijkheden van appellante met de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 april 2005, opgemaakt door verzekeringsarts M. Levy, en in bezwaar geaccordeerd door bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal, niet zijn overschat. De Raad merkt hierbij op dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellante op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen en neemt hierbij het volgende in aanmerking. Verzekeringsarts Levy heeft appellante op zijn spreekuur van 1 februari 2005 gezien en gesproken. Verder beschikte Levy over informatie van de behandelende neuroloog M.G. Smits van 25 maart 2005. Uit deze informatie blijkt dat bij oriënterend neurologisch onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden en Smits concludeert dat bij appellante sprake is van moeheid waarschijnlijk als gevolg van een persoonlijkheidsstructuur gekenmerkt door “druk zijn”. Hij vindt geen overtuigende argumenten voor een stoornis in de circadiane ritmiek. Daarnaast heeft psycholoog M.A.T. Poslavsky, op verzoek van Levy, appellante onderzocht en hierover op 15 maart 2005 rapport uitgebracht. Poslavsky diagnosticeert bij appellante een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Zij stelt dat ten gevolge van psychosomatische klachten er sprake is van energetische beperkingen en adviseert appellante cognitieve gedragstherapie.

Op basis van zijn eigen bevindingen en voornoemde informatie is Levy, zoals weergegeven in zijn rapport van 6 april 2005, van mening dat er bij appellante geen aanwijsbare afwijkingen zijn op somatisch gebied. Onder verwijzing naar de conclusie van de neuroloog dat appellante “druk is”, is Levy het niet eens met Poslavsky wat betreft de energetische beperkingen. Levy is van mening dat, indien appellante zich niet te veel inspant zij “normaal” (in ieder geval fulltime) moet kunnen functioneren, waarbij hij aangeeft dat er beperkingen moeten worden vastgesteld ten aanzien van vermijden van uitgesproken piekbelasting en deadlines en hanteren van conflicten. Voorts moet appellante terug kunnen vallen op collega’s. Levy ziet geen medische indicatie voor een urenbeperking. In de door Levy opgemaakte FML van 6 april 2005 worden voornoemde beperkingen opgenomen en wordt appellante voorts beperkt geacht voor werk waarbij zij wordt afgeleid door activiteiten van anderen en voor werk dat leidinggevende aspecten bevat.

In bezwaar legt appellante nadere informatie over van neuroloog Smits van 26 april 2005. Smits stelt dat fulltime werk niet haalbaar lijkt voor appellante. Voorts legt appellante nadere informatie over van klinisch psycholoog-psychotherapeut T. Bos van

25 augustus 2005. Bos geeft aan dat de ingestelde behandeling cognitief-gedragstherapeutisch van aard is en in de eerste plaats gericht is op het terugdringen van de slaapstoornis en de vermoeidheidsklachten en in de tweede plaats op de persoonlijkheidsproblematiek. Een zekere mate van werkhervatting moet mogelijk worden geacht.

Blijkens zijn rapport van 14 oktober 2005 deelt de bezwaarverzekeringsarts Admiraal de mening van Levy dat appellantes moeheid hoofdzakelijk is terug te voeren op gedrag, namelijk druk zijn en (neiging tot) overschrijden van de grenzen. Op basis van de aanwezige informatie ziet hij onvoldoende aanleiding om dit drukke (vermoeiende) gedrag als pathologisch, niet redresseerbaar te beschouwen. Voorts stelt Admiraal dat, gezien de niet-objectiveerbaarheid van de moeheidsklachten en energetische beperkingen er terecht geen urenbeperking is gesteld. Hij is van mening dat met de beperkingen die verzekeringsarts Levy in het persoonlijk en sociaal functioneren in de FML van 6 april 2005 heeft opgenomen, die gezien kunnen worden als “begrenzing” van appellante met als doel overbelasting te voorkomen, tevens paal en perk wordt gesteld aan haar neiging tot overbelasting.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de (bezwaar-)verzekeringsartsen en is van oordeel dat uit de voorhanden zijnde informatie geen verdergaande beperkingen, op de in geding zijnde datum, zijn af te leiden dan door de verzekeringsartsen zijn vastgesteld. Ook overigens is de Raad niet gebleken van aanknopingspunten in objectief-medische zin, om appellante te kunnen volgen in haar opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, is de Raad van oordeel dat de (bezwaar-)verzekeringsartsen van het Uwv voldoende gemotiveerd hebben dat en waarom geen noodzaak bestaat voor het aannemen van een medische urenbeperking. De Raad ziet evenmin aanleiding te veronderstellen dat sprake is van een onjuiste toepassing van de Standaard Verminderde Arbeidsduur.

Wat betreft de toepassing van de gewijzigde schattingsmethodiek met behulp van het zogenoemde CBBS verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 9 november 2004, zie onder andere LJN: AR4716 en zijn uitspraken van 12 oktober 2006, zie onder andere LJN: AY9980.

De Raad is van oordeel dat, mede gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht door het Uwv is aangenomen dat de drie functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, te weten machinaal metaalbewerker (exclusief bankwerk) (sbc-code 264121), lederwerker (sbc-code 272070) en produktiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen. In het licht van de arbeidskundige rapportages van 30 september 2005 en 2 februari 2006, is naar het oordeel van de Raad de geschiktheid van de functies op alle relevante aspecten op een voldoende inzichtelijke en toetsbare wijze gemotiveerd. De Raad ziet geen aanknopingspunten op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de belasting in de geduide functies de mogelijkheden van appellante zou overschrijden.

De Raad tekent hierbij aan dat indien, zoals door de gemachtigde van het Uwv ter zitting is betoogd, de functie ophanger-opsteker blasomatmatch bediende binnen de sbc-code 264121 moet vervallen in verband met het in deze functie voorkomen van structureel nachtwerk, er voldoende functies in genoemde sbc-code resteren om aan de schatting ten grondslag te leggen.

Wat betreft de door appellante naar voren gebrachte grieven ten aanzien van de functie verkoopster kleding, sbc-code 317014 wijst de Raad erop dat, indien deze functie buiten beschouwing blijft, er voldoende functies resteren om aan de schatting ten grondslag te leggen, zodat appellantes grieven geen nadere bespreking behoeven.

De Raad is evenwel van oordeel dat uiteindelijk eerst met de in beroep overgelegde rapportage van 2 februari 2006 een toelichting op de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies is gegeven, die voldoet aan de daaraan te stellen eisen van inzichtelijkheid, toetsbaarheid en verifieerbaarheid. Onder verwijzing naar zijn hiervoor genoemde uitspraken van 9 november 2004 en 12 oktober 2006, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen ervan in stand kunnen worden gelaten.

Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat ook de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond moet worden verklaard.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Lochs.

JL