Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1009

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-6856 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Primair straf van onvoorwaardelijk ontslag en subsidiair ontslag wegens ongeschiktheid. Plichtsverzuim bestaande uit sexuele toespelingen en misbruik machtspositie. Betrouwbaarheid en integriteit van arrestantenbewaarder in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

006/6856 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 oktober 2006, 06/339 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Zuid (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek van appellants gemachtigde om uitstel van de zitting, omdat appellant zelf niet bij de zitting aanwezig kon zijn, is afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. van Loon, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij geen aanleiding heeft gezien om het geding aan te houden, aangezien de Raad zich door de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht.

2. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

2.1. Appellant verrichtte sinds 1996 de werkzaamheden van arrestantenbewaarder en was vanaf 1 september 1999 als zodanig aangesteld als ambtenaar in het cellencomplex te [plaatsnaam]. Arrestant J heeft over de gedragingen van appellant en zijn collega M jegens haar op 1 mei 2003 een klacht ingediend. Na een onderzoek door het Bureau Interne Zaken, waarbij appellant op 22 oktober 2003 is verhoord, is appellant vanaf 25 oktober 2003 buiten functie gesteld en is hem bij brief van 26 november 2003 het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk strafontslag kenbaar gemaakt. Appellant heeft schriftelijk en mondeling zijn zienswijze op het voorgenomen ontslag kenbaar gemaakt. Bij besluit van 5 oktober 2004, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 20 december 2005, is aan appellant met ingang van 12 oktober 2004 primair de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd en subsidiair ontslag wegens ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het strafontslag in rechte stand kon houden, zodat de subsidiaire ontslaggrond geen bespreking meer behoefde.

3.1. In hoger beroep heeft appellant wederom gewezen op de ernstige tekortkomingen bij het onderzoek door het Bureau Interne Zaken, de intrekking van zijn onder druk afgelegde verklaringen bij het verhoor op 22 oktober 2003 en het verzuim van de korpsbeheerder om toepassing te geven aan de Klachtenregeling Politie Limburg Zuid. Appellant acht nog steeds strijd met goed werkgeverschap aanwezig, omdat appellant geen opleiding tot arrestantenverzorger heeft gehad, de Nederlandse taal slecht beheerst en vanwege de toenmalige risicovolle praktijk dat twee mannelijke arrestantenbewaarders ook belast werden met de bewaking van vrouwelijke gedetineerden.

3.2. De korpsbeheerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van de korpsbeheerder desgevraagd verklaard dat het opgelegde onvoorwaardelijke strafontslag alleen gebaseerd is op de feiten die gelijk-luidend blijken uit de klacht van J en de processen-verbaal van de verhoren van appellant en zijn collega M op 22 oktober 2003. Gelet daarop wordt appellant als plichtsverzuim verweten, dat hij in de loop van zijn dienst op 1 mei 2003 een paar keer seksuele toespelingen jegens J heeft gemaakt, dat J de gelegenheid heeft gekregen om haar cel te verlaten en dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn machtspositie tegenover J. Het laatste bestond uit het tegenover J melding maken van alle elektronisch over J beschikbare gegevens in de werkkamer, onnodig bezoek aan J in haar cel en onnodig contact met J via de intercom.

4.2. De Raad ziet geen aanleiding om de bekentenissen van appellant zoals weergegeven in het proces-verbaal van 22 oktober 2003 voor onjuist te houden. De Raad wijst erop dat appellant het proces-verbaal, dat eindigt met een spijtbetuiging, heeft ondertekend. De Raad heeft geen aanwijzingen aangetroffen voor bij het verhoor op appellant uitgeoefende ongeoorloofde druk of een anderszins ongepaste behandeling, die er toe zou hebben geleid dat appellant niet met de waarheid overeenkomende verklaringen heeft afgelegd. In de omstandigheid dat de verhorende ambtenaren, zoals zij zelf hebben verklaard, enige druk op appellant hebben uitgeoefend en dat appellant tijdens en na het verhoor erg geëmotioneerd was is daartoe onvoldoende.

De Raad kan en zal in het midden laten of appellant in mei 2003 door zijn chef in kennis is gesteld van de door J ingediende klacht. Zo appellant daarover al niet door zijn collega M is geïnformeerd, dan heeft appellant in elk geval niet betwist dat hij bij de aanvang van het verhoor voldoende is ingelicht over de gebeurtenis waarover het verhoor zou gaan. Dat appellant zich diverse details over de dienst van 1 mei 2003 na 5 tot 6 maanden niet meer kon herinneren doet daar niet aan af. Van een vergelijkbare situatie als in de uitspraak van de Raad van 14 maart 1991, TAR 1991, 104 is dan ook geen sprake.

4.3. De Raad onderschrijft niet de stelling van appellant dat de korpsbeheerder eerst de procedure volgens de Klachtenregeling Politie Limburg Zuid had moeten volgen. Aan de Raad is niet gebleken van enig voorschrift met een dergelijke voorrangsregel.

4.4. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat appellant het onder 4.1 genoemde plichtsverzuim heeft gepleegd. De Raad deelt de opvatting van de korpsbeheerder dat sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim, in aanmerking genomen dat een arrestantenbewaarder zijn functie goeddeels zonder direct toezicht van een leidinggevende uitoefent en de korpsbeheerder dus moet kunnen vertrouwen op de integriteit van de arrestantenbewaarder.

4.5. Voor de beoordeling van de ernst van het plichtsverzuim en de zwaarte van de opgelegde disciplinaire maatregel komt naar het oordeel van de Raad geen betekenis toe aan een eventueel niet optimale of zelfs gebrekkige opleiding tot arrestantenbewaarder. Appellant was al geruime tijd werkzaam in zijn functie en de opdracht om arrestanten correct te bejegenen is in ruime mate onder het personeel bekend gemaakt. Aan appellants beweerdelijk (te) beperkte kennis van de Nederlandse taal gaat de Raad in dit verband voorbij nu appellant al vanaf 1996 als arrestantenbewaker werkzaam is. Aan de omstan-digheid dat het ook tot de taak van mannelijke arrestantenbewakers kon en /of kan horen om vrouwelijke gedetineerden te bewaken kan de Raad evenmin de betekenis toekennen die appellant daaraan toekent.

4.6. De Raad acht het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit, gezien de aard en ernst van de gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant binnen de politiedienst en de terecht gestelde eisen met betrekking tot betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van die dienst niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

5. Al het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit in stand kan blijven en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) K. Moaddine.

HD