Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1005

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-700 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek door verzekeringsgeneeskundige in opleiding. Onvoldoende zorgvuldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

-06/700 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 december 2005, 05/191 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 18 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.R. Lambooy, als jurist werkzaam bij Wout van Veen advocaten te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2008.

Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Lambooy.

Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.H.M.A. Swarts.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 24 augustus 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering aan appellant, sedert 14 april 1999 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 25 oktober 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij besluit van 7 januari 2005 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 24 augustus 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen.

Hij acht zich medisch meer beperkt dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. Hij meent dat hij niet in staat is 8 uur per dag en 40 uur per week te werken en dat derhalve een urenbeperking noodzakelijk is.

Met name het verschil in de beoordeling van zijn belastbaarheid acht hij onvoldoende gemotiveerd, in aanmerking nemend dat zijn klachten niet (noemenswaard) zijn verminderd tussen 1999 en 2004.

Voorts heeft appellant zijn reeds in bezwaar en beroep aangevoerde grieven ten aanzien van het medisch onderzoek herhaald. Appellant is nimmer door een geregistreerd verzekeringsarts onderzocht nu de bezwaarverzekeringsarts heeft nagelaten zelf lichamelijk onderzoek te verrichten en haar oordeel heeft gebaseerd op de bevindingen van een verzekeringsarts in opleiding. Appellant acht deze werkwijze van het Uwv onzorgvuldig en hij beroept zich daarbij op een aantal uitspraken van de Raad, te weten die van 3 januari 2006 (LJN: AU9101), van 18 juli 2007 (o.m. LJN: BA9905 en BA9909) en van 18 september 2007 (LJN: BB3884).

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en de toepassing van de (gewijzigde) schattingsmethodiek met behulp van het CBBS verwijst appellant naar een uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 januari 2006 (LJN: AU9775). Appellant stelt zich op het standpunt dat met de aanpassingen die het Uwv heeft aangebracht in het CBBS niet alle onvolkomenheden van dat systeem zijn opgeheven die de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 (o.a. LJN: AR4716) heeft geconstateerd. Derhalve is nog immer niet voldaan aan de eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid, zodat het bestreden besluit ook in dit opzicht onvoldoende is gemotiveerd.

Ten slotte vordert appellant schadevergoeding overeenkomstig artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter zake van de geleden immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Deze schade wordt voorlopig begroot op € 3.500,--.

Uit de gedingstukken komt het volgende naar voren.

Voorafgaand aan het besluit van 24 augustus 2004 heeft vanwege het Uwv een geneeskundig onderzoek plaatsgevonden door de arts F.A. Bekhof. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts E.G. Maring, die tijdens de hoorzitting niet aanwezig was, niet zelf (lichamelijk) onderzoek verricht. Op basis van dossieronderzoek heeft zij het standpunt van Bekhof onderschreven dat appellant gezien de ernst en aard van de aandoening in het verleden veel te zwaar beperkt is geacht. De beoordeling heeft plaatsgevonden op basis van alle (in zeer ruime mate) in het dossier aanwezige gegevens en niet valt in te zien wat er valt af te dingen op de medisch inhoudelijke kwaliteit van de inderdaad (nog) niet geregistreerde, doch overigens zeer ervaren arts, louter op grond van het (nog) niet geregistreerd zijn. Met de gestelde beperkingen aan de fysieke belastbaarheid wordt ruimschoots rekening gehouden met de aard en de ernst van de aandoening. Er zijn geen redenen om aan de juistheid van de primaire medische beoordeling te twijfelen, aldus de bezwaarverzekeringsarts.

Zoals blijkt uit de uitspraken van de Raad van 18 juli 2007 (LJN: BA9904, 9905, 9908, 9909 en 9910) kan aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. Registratie als verzekeringsarts staat in beginsel borg voor een zekere kwaliteit. Zolang die registratie nog niet heeft plaatsgevonden, kan er in beginsel niet van worden uitgegaan dat het onderzoek van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts diezelfde kwaliteit bezit. Een dergelijk gebrek kan echter in de bezwaarfase worden hersteld, indien in die fase een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerde arts. Een lichamelijk onderzoek zal daarbij niet steeds noodzakelijk zijn.

In het onderhavige geval is naar het oordeel van de Raad het hiervoor gesignaleerde gebrek niet afdoende in bezwaar hersteld.

De Raad overweegt daartoe het volgende.

In hoger beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts G.W. Egbers benadrukt dat de arts Bekhof ten tijde van het door haar verrichte onderzoek van appellant op 5 juli 2004 haar feitelijke opleiding tot verzekeringsarts, op de afronding van haar scriptie na, had voltooid.

De bezwaarverzekeringsarts heeft echter wel erkend dat de verantwoording door Bekhof uit argumentatief oogpunt wat summier en impliciet is geweest. Met name het verschil in duurbelastbaarheid van appellant ten opzichte van de eerdere beoordeling in 1999 is niet expliciet gemotiveerd. Voorts is Egbers van mening dat de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts Maring niet geheel voldoet aan de criteria die herleid kunnen worden uit de uitspraak van de Raad van 18 september 2007. Zij heeft met name niet expliciet verantwoord waarom zij appellant niet heeft opgeroepen voor een spreekuur. Desondanks heeft Maring de argumentatie en de uitkomst van de primaire beoordeling door Bekhof kunnen reproduceren en bestond voor haar geen dwingende reden om appellant zelf te onderzoeken. Egbers is van mening dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als voldoende zorgvuldig kan worden gekenschetst.

Reeds op grond van hetgeen door Egbers over de gebrekkige verantwoording van het onderzoek door Bekhof en dito beoordeling door Maring heeft opgemerkt, is de Raad tot de conclusie gekomen dat Egbers niet kan worden gevolgd in zijn conclusie dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als voldoende zorgvuldig kan worden gekenschetst.

Het bestreden besluit berust derhalve op een onzorgvuldig medisch onderzoek en dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Gezien het vorenstaande komt de Raad aan hetgeen namens appellant tegen de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit is aangevoerd niet meer toe.

Het Uwv dient een nieuw besluit op de bezwaren van appellant te nemen. Daarbij dient ook aandacht besteed te worden aan de namens appellant opgeworpen stelling dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden en aan de vordering tot vergoeding van de kosten in bezwaar.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep, van € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en van € 40,74 voor reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.006,74.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag in totaal groot € 1.006,74, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM