Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1004

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-7003 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belemmering re-integratie. Ongepaste bewoordingen in e-mailbericht aan loopbaanadviseur: plichtsverzuim, maar rechtvaardigt geen voorwaardelijk strafontslag in de gegeven omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/7003 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2006, 05/4305 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 17 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.J. de Boer, advocaat te Amsterdam. Het college is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam bij het Gemeentelijk Vervoer Bedrijf (GVB), laatstelijk in de functie van conducteur. Bij besluit van 6 november 2003 is appellant de straf opgelegd van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar en inhouding van zestien uur bezoldiging, omdat bij controle was gebleken dat appellant in strijd met de voorschriften niet zijn volledige depot bij zich had en hij zich niet had gehouden aan de regels bij ziekte. Appellant heeft in dat besluit berust.

1.2. Op 1 december 2003 is appellant arbeidsongeschikt geworden. In de daarop volgende maanden is duidelijk geworden dat appellant zijn functie als conducteur niet meer kon verrichten, omdat hij in verband met een postoperatieve zenuwbeschadiging niet meer kon werken in een trillende en schuddende tram. In verband daarmee is hem de zogenoemde RAP-status toegekend. In juni 2004 is appellant aangemeld bij het Mobiliteits-centrum (hierna: Moc), om hem te bemiddelen naar ander passend werk. Als loopbaan-adviseur is hem toegewezen E.W. Tussen mei en oktober 2004 heeft appellant tijdelijk werkzaamheden verricht, achtereenvolgens in de metrozorg, op een pont over het IJ en als abri-controleur. In die periode heeft hij ook enkele sollicitaties verricht.

1.3. Tijdens de gesprekken met de loopbaanadviseur is bij de bespreking van zijn cv naar voren gekomen dat appellant tien jaar eerder in de Jellinekkliniek was behandeld in verband met zijn toenmalige alcoholmisbruik. Naar aanleiding van het gesprek daarover op 16 november 2004 heeft E.W. bij emailbericht van 18 november 2004 - verzonden vanaf haar privé-emailadres - appellant dringend verzocht om voorafgaand aan, dan wel tijdens het voortgangsgesprek op 30 november 2004 met zijn leidinggevende O., zelf dit alcoholprobleem ter sprake te brengen. Zij had geconstateerd dat na het gesprek op

16 november 2004 haar kamer naar alcohol rook en meende dat appellants alcoholprobleem een negatieve invloed had op het trajectverloop. Wanneer appellant het probleem niet aan de orde zou stellen, zou zij genoodzaakt zijn haar opdracht terug te geven.

1.4. In de nacht van 18 op 19 november 2004 heeft appellants echtgenote in een emailbericht aan E.W. op niet mis te verstane wijze te kennen gegeven dat als gevolg van de moeilijkheden op het werk de problemen met het drankgebruik weer zijn begonnen. Ze heeft meegedeeld het volstrekt oneens te zijn met de opdracht, en aangegeven dat door de aanpak van E.W. al haar begeleidende en steunende werk van de afgelopen jaren in één klap teniet was gedaan.

1.5. Bij brief van 24 november 2004 heeft de leidinggevende O. appellant uitgenodigd voor een verantwoordingsgesprek, omdat hij volgens informatie van E.W. onder invloed van alcohol was verschenen op een afspraak met zijn loopbaanadviseur en omdat de loopbaanadviseur had gezegd dat appellants alcoholgebruik een serieuze re-integratie in de weg staat.

1.6. Diezelfde nacht, na thuiskomst van zijn werk als abri-controleur, heeft appellant in een emailbericht aan E.W. meegedeeld dat hij niet zou ingaan op haar verzoek, omdat hij daar de zin niet van inzag en dacht dat het vertrouwelijk zou blijven. In ongepaste bewoordingen heeft appellant aangegeven dat bespreking van het probleem met zijn leidinggevende voor hem niets zou opleveren en dat - zeker als E.W. medio december zou stoppen met haar werkzaamheden bij het Moc en zijn dossier aan een andere adviseur zou worden overgedragen - iedereen ervan zou komen te weten.

1.7. E.W. heeft beide emailberichten doorgeleid naar het hoofd van het Moc en deze heeft op 25 november 2004 in een brief aan de lijnmanager te kennen gegeven dat de begeleiding wordt gestaakt.

1.8. Tijdens het verantwoordingsgesprek heeft appellant ontkend dat hij onder invloed van alcohol op het gesprek is verschenen. Hij drinkt niet overdag. Volgens appellant probeerde E.W. hem naar een sollicitatieclub te sturen, maar daar zag hij het nut niet van in omdat zijn echtgenote altijd de sollicitatiebrieven voor hem schrijft en hij nog altijd is aangenomen. Appellant wenste alleen maar dat zij ander werk voor hem zou zoeken.

1.9. Bij brief van 28 december 2004 is aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt het op 6 november 2003 opgelegde voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer te leggen op de grond dat hij zijn re-integratie belemmert en zich in een e-mailbericht aan zijn loopbaanadviseur op onacceptabele wijze heeft uitgelaten.

1.10. Bij besluit van 28 januari 2005 is het voorwaardelijk strafontslag met onmiddellijke ingang ten uitvoer gelegd omdat appellant zich binnen de proeftijd aan ander ernstig plichtsverzuim had schuldig gemaakt. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 5 augustus 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant door geen gevolg te geven aan de opdracht van de loopbaanadviseur om zijn alcoholprobleem met zijn leidinggevende te bespreken, zijn betrekking niet met inachtneming van de hem gegeven aanwijzingen naar beste kunnen heeft vervuld en zich daarmee aan ander ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Volgens de rechtbank was de loopbaanbegeleider van mening dat appellant door zijn alcoholgebruik niet volledig geschikt was voor het vervullen van een functie en dat zij daardoor geen vacature voor hem kon claimen. Dat probleem moest worden opgelost voordat de begeleiding kon worden voortgezet. De rechtbank heeft dit plichtsverzuim toerekenbaar geacht en was van oordeel dat het college bij afweging van belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer te leggen.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant niet wordt verweten dat hij onder invloed van alcohol bij de gesprekken met zijn loopbaanadviseur is verschenen. Wat hem wordt verweten is dat hij bij het gesprek van 16 november 2004 naar alcohol rook en dat hij er verlopen uitzag. Dat zag de loopbaanadviseur als een belemmering voor re-integratie en zij meende dat appellant voor dit probleem samen met zijn leidinggevende een oplossing moest zoeken. Niet alleen was appellant hiertoe niet bereid, maar hij heeft daaraan volgens het college ook op respectloze wijze uiting gegeven.

3.2. Van de kant van appellant is er op gewezen dat appellant sinds zijn behandeling tien jaar eerder, zijn alcoholgebruik - met ups en downs - onder controle heeft, dat hij sinds die tijd altijd aan het werk is geweest en dat zijn werk er nooit onder heeft geleden. Appellant is bij het GVB nooit aangesproken op alcoholgebruik omdat daartoe nooit aanleiding is geweest. In de periode dat hij gesprekken voerde met de loopbaanadviseur reed hij voor zijn tijdelijk werk als abri-controleur rond in een auto. De afspraken met de loopbaanadviseur vonden plaats aan het eind van de middag voor aanvang van dit (avond)werk en hij zou het niet in zijn hoofd halen met alcohol achter het stuur te gaan zitten. Dat is ook nooit gebeurd. Volgens appellant creëerde E.W. een probleem dat er niet was. Zijn enige wens was daadwerkelijke herplaatsing in een passende functie. Wel erkent appellant dat als gevolg van het verlies van zijn baan als tramconducteur en de spanningen die dat met zich meebracht, de beheersing van het alcoholgebruik problematischer was geworden. Omdat bij het GVB zijn vroegere alcoholprobleem niet bekend was, omdat het in zijn werk nog nooit een rol had gespeeld en omdat appellant toch niet meer terugkon op de tram en dus niets meer te verwachten had van zijn leidinggevende, met wie de verhouding na het voorwaardelijk ontslag niet optimaal meer was, voelde appellant daar absoluut niets voor en zag hij wat hij in tien jaar had opgebouwd instorten. Immers juist de structuur die een vaste baan met zich meebracht had hem in staat gesteld zijn alcoholgebruik te beheersen.

Appellant erkent dat hij in zijn e-mailbericht aan de loopbaanadviseur vanuit zijn heftige emotie ongepaste bewoordingen heeft gebruikt. Dat dit e-mailbericht naar het privé- mailadres van de loopbaanadviseur is gegaan was geen opzet; vanaf dat adres was ook de opdracht verstuurd om zijn leidinggevende op de hoogte te stellen van zijn alcoholprobleem. Naar datzelfde privé-emailadres heeft appellant ook excuses gestuurd.

3.3. De Raad is gezien deze toelichting - aan het waarheidsgehalte waarvan de Raad niet twijfelt omdat daarvoor voldoende steun te vinden is in de stukken - van oordeel dat het college te snel de conclusie heeft getrokken dat appellant met zijn weigering gevolg te geven aan de opdracht van zijn loopbaanadviseur zijn re-integratie heeft belemmerd. De Raad acht het begrijpelijk dat appellant en zijn echtgenote de opdracht als volstrekt contraproductief ervoeren, omdat behandeling van het alcoholprobleem in hun opvatting niet aan de orde was en zij daarmee het perspectief op een spoedige andere baan - als gerede oplossing om het alcoholprobleem hanteerbaar te houden - achter de horizon zagen verdwijnen. Door zelf rechtstreeks de leidinggevende in te lichten - blijkbaar als reactie op het boze e-mailbericht van de echtgenote van appellant - heeft de loopbaanadviseur de zaken nog verder op scherp gezet.

Naar het oordeel van de Raad is ten onrechte verzuimd in het ontstane meningsverschil werkelijk naar appellant te luisteren, de kwestie los van de emoties van het moment met hem te bespreken en te trachten om in goed overleg afspraken te maken en een strategie uit te stippelen.

3.4. De Raad merkt hierbij nog op dat appellant blijkens de gedingstukken in de periode van belang enkele sollicitaties heeft verricht en dat hij sinds juni 2004 een drietal opvulfuncties tot tevredenheid vervulde, waarbij van problemen door alcoholgebruik niets is gebleken. Ook op die grond was er voldoende aanleiding om appellant naar de achtergronden van zijn opstelling te vragen, alvorens daaraan vérgaande gevolgen te verbinden. De ongepaste bewoordingen die appellant in zijn e-mailbericht van 25 november 2004 heeft gebruikt vormen weliswaar onmiskenbaar plichtsverzuim, doch in de gegeven omstandigheden acht de Raad dit plichtsverzuim onvoldoende om tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag te rechtvaardigen.

4. Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven en dienen te worden vernietigd. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ook het primaire besluit van 28 januari 2005 te herroepen.

5. De Raad ziet aanleiding het college met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep ten bedrage van € 644,- en in hoger beroep ten bedrage van € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 5 augustus 2005;

Herroept het besluit van 28 januari 2005;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 1.288,-, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 349,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD

14.04