Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0994

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06/7281 AW + 07/2429 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomsten uit werk gedeeltelijk in mindering gebracht op wachtgeld. Toekenning WAO-uitkering. Vaststelling hoger dagloon met terugwerkende kracht. Nabetaling WAO-uitkering leidt tot terugvordering wachtgeld. Zes-maandenjurisprudentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/152

Uitspraak

06/7281 AW en 07/2429 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 november 2006, 06/797 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 20 april 2007 een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, werkzaam bij Loyalis Maatwerk-administraties. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het navolgende.

1.1. Betrokkene ontving vanaf 1 februari 1995 een wachtgeld als bedoeld in het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb). Betrokkene verrichtte werkzaamheden, waarvan de inkomsten gedeeltelijk in mindering werden gebracht op zijn wachtgeld. Vanaf 16 april 2003, de datum waarop betrokkene ziek is geworden, bleven betrokkenes inkomsten in verband met arbeid binnen de zogenoemde bijverdiengrens en vond er dus geen vermindering van het wachtgeld plaats.

1.2. Met ingang van 14 april 2004 is aan betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en een dagloon van € 29,10. Bij deze beslissing was alleen acht geslagen op de door betrokkene recent verrichte werkzaamheden en was geen rekening gehouden met zijn voormalige werkzaamheden als ambtenaar.

Najaar 2005 is het dagloon van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht tot 14 april 2004 verhoogd naar € 123,32 doordat alsnog rekening werd gehouden met de omstandigheid dat betrokkene als ambtenaar had gewerkt en daaruit wachtgeld ontving. Betrokkene heeft een nabetaling aan WAO-uitkering gekregen van bruto € 26.039,94.

1.3. Bij besluit van 22 september 2005 heeft appellant het wachtgeld van betrokkene per 14 april 2004 beëindigd vanwege de aan betrokkene toegekende WAO-uitkering. Betrokkene heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend. Bij besluit van 4 oktober 2004 (lees: 2005), zoals gewijzigd bij besluit van 23 januari 2006 is het aan betrokkene vanaf 14 april 2004 ten onrechte uitgekeerde wachtgeld tot een bedrag van € 30.756,40 teruggevorderd. Bij besluit op bezwaar van 13 februari 2006 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar gegrond verklaard en het bedrag van de terugvordering beperkt tot het bruto bedrag van de nabetaalde WAO-uitkering, zijnde € 26.039,94.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene redelijkerwijs kon weten dat de nabetaling van de WAO-uitkering tot een terugvordering van het wachtgeld zou leiden. Volgens de rechtbank had appellant evenwel door de informatie van betrokkene op zijn inkomstenbriefjes vanaf 29 juni 2004 op de hoogte kunnen zijn van de toegekende WAO-uitkering. Met toepassing van de zogenoemde zes-maandenjurisprudentie had appellant naar het oordeel van de rechtbank de terugvordering dienen te beperken tot de wachtgeldbetalingen over het tijdvak van 29 juni 2004 tot 29 december 2004.

2.1. Appellant is van opvatting dat de zes-maandenjurisprudentie in dit geval niet van toepassing is omdat betrokkene daardoor in een onbedoeld gunstige positie zou komen, maar dat bij een eventuele toepassing van de zes-maandenjurisprudentie de rechtbank het tijdvak onjuist heeft bepaald.

2.2. Betrokkene kan zich vinden in de uitkomst van de aangevallen uitspraak en heeft overigens zijn eerder aangevoerde grieven herhaald.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

3.1. De door de Raad ontwikkelde zes-maandenjurisprudentie (CRvB 5 augustus 1999, LJN ZF5199 en TAR 1999, 134 en CRvB 15 maart 2007, LJN BA1953 en TAR 2007,114) brengt mee dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen de beperkte toetsing van de rechter niet kan doorstaan, voor zover het gaat om uitkeringen die betaalbaar zijn gesteld meer dan zes maanden na het tijdstip waarop het uitvoeringsorgaan na ontvangst van relevante informatie van de uitkeringsgerechtigde actie had moeten ondernemen. Met deze jurisprudentie is beoogd om het vertrouwen van de uitkeringsgerechtigde op de juistheid van de door het uitvoeringsorgaan betaalde uitkeringsbedragen te honoreren na een redelijke termijn nadat de uitkeringsgerechtigde aan het uitvoeringsorgaan een signaal heeft gegeven over een wijziging van relevante feiten. Met deze jurisprudentie wordt voorkomen, dat de uitkeringsgerechtigde met terugwerkende kracht geconfronteerd wordt met een lager bedrag aan uitkering en een terugvordering van het meerdere.

3.2. In de situatie van betrokkene deed zich, althans ten gevolge van het bestreden besluit, niet de omstandigheid voor dat betrokkene met terugwerkende kracht werd geconfronteerd met een lagere uitkering en voor het meerdere aan een terugvordering moest voldoen. De verhoging van het dagloon van de WAO-uitkering na het terugvorderingsbesluit van 4 oktober 2005 had immers geleid tot een nabetaling over het tijdvak vanaf 14 april 2004 van bruto € 26.039,94. De terugvordering van het wachtgeld over het tijdvak vanaf 14 april 2004 is door appellant tot hetzelfde bruto bedrag beperkt. Betrokkenes financiële positie is door deze terugvordering in de kern dus niet verslechterd. Onder die omstandigheid valt niet in te zien dat toepassing zou moeten worden gegeven aan de zes-maandenjurisprudentie, zoals de rechtbank heeft geoordeeld.

3.3. Nu het hoger beroep van appellant slaagt dient de Raad te beoordelen of het bestreden besluit overigens, gelet op de door betrokkene in hoger beroep tegen dat besluit herhaalde grieven, in rechte kan standhouden.

3.4. De Raad is van oordeel dat appellant met juistheid heeft gewezen op de vaste jurisprudentie van de Raad die is ingezet met de uitspraak van 24 februari 2000, LJN AA5418 en TAR 2000, 50. In aanmerking genomen dat sprake was van een met terugwerkende kracht tot 14 april 2004 verhoogde nabetaling van de WAO-uitkering was appellant bevoegd om het onverschuldigd betaalde wachtgeld tot het bedrag van de nabetaalde WAO-uitkering terug te vorderen.

3.5. Toch kan het bestreden besluit in rechte geen stand houden. Appellant heeft ter zitting verklaard nader van oordeel te zijn dat van betrokkene, in lijn met ’s Raads uitspraak van 3 mei 2007, LJN BA5369 en TAR 2007, 126, slechts het netto-equivalent van het bruto bedrag van € 26.039,94 mag worden teruggevorderd. Als bijzondere omstandigheid heeft appellant onder meer vermeld dat verzuimd is om de nabetaling van de WAO-uitkering te verrekenen met de terugvordering van het wachtgeld.

4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd met bepaling dat appellant betrokkene het griffierecht zal vergoeden. In zoverre komt de aangevallen uitspraak dan ook voor bevestiging in aanmerking. Aangezien de opdracht van de rechtbank meebrengt dat appellant bij het nieuwe besluit op bezwaar rekening moet houden met de zes-maandenjurisprudentie zal de Raad deze opdracht vernietigen.

4.1. Nu het in rubriek II genoemde besluit van 20 april 2007 genomen is met inachtneming van de door de Raad vernietigde opdracht van de rechtbank, ontvalt de grondslag aan dit besluit, zodat ook dit besluit vernietigd moet worden.

5. Van proceskosten van betrokkene in hoger beroep is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de bij de aangevallen uitspraak gegeven opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Vernietigt het besluit van 20 april 2007;

Draagt appellant op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) K. Moaddine.

HD

14.04

Q