Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0985

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-3783 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Arbeidskundige grondslag juist ten aanzien van opleidings- en diploma-eisen in twee voorgehouden functies?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3783 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 mei 2006, 06/228 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

V[betrokkene]

en

appellant.

Datum uitspraak: 22 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.J. Begthel, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam, bijgestaan door J. den Hartog. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Begthel voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene, geboren op 1 augustus 1953, ontving sedert 22 juni 1994 een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na onderzoek door de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige heeft appellant aan betrokkene bij besluit van 18 april 2005 bericht, dat haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 13 juni 2005 wordt beëindigd.

Bij besluit van 9 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de door betrokkene gemaakte proceskosten en bepaald dat appellant het griffierecht aan betrokkene vergoedt. De rechtbank, de medische grondslag van het bestreden besluit juist achtend, heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen dat de schatting van betrokkenes mate van arbeidsongeschiktheid niet voldoet aan artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, omdat na toetsing onvoldoende functies resteren die aan betrokkene kunnen worden voorgehouden. De rechtbank heeft de functie administratief medewerker B met functienummer 8221-0459-002 (onder sbc-code 315100) ongeschikt bevonden nu betrokkene niet over het vereiste MBO-diploma beschikt, de enige onder sbc-code 315170 vallende functie van telefoniste ongeschikt bevonden nu betrokkene niet over het diploma VMBO-TL met Engels beschikt, en de enige onder de sbc-code 516180 vallende functie van telemarketeer ongeschikt bevonden nu zij er niet van overtuigd is dat deze functie valt binnen de voor betrokkene vastgestelde belastbaarheid.

Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Appellant heeft aangevoerd en ter zitting toegelicht - kort weergegeven - dat de onder de sbc-code 315100 vallende functies wel aan betrokkene kunnen worden voorgehouden, omdat zij met haar combinatie van opleiding en ervaring voldoende capaciteiten heeft voor de functie en dat de onder de sbc-code 315170 vallende functie aan betrokkene kan worden voorgehouden, omdat ‘VMBO-TL met Engels’ geen diploma-eis bevat.

De Raad overweegt het volgende.

Het hoger beroep van appellant is uitsluitend gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank zich niet heeft kunnen verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, te weten de opleidings- dan wel diploma-eisen in twee voorgehouden functies. Nu betrokkene geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, voor zover deze de medische grondslag van het bestreden besluit betreft, staat hetgeen betrokkene aanvoert tegen de medische grondslag van het bestreden besluit in hoger beroep niet ter beoordeling.

Appellant heeft uitsluitend hoger beroep ingesteld tegen de overwegingen van de rechtbank inzake de functies met sbc-codes 315100 en 315170. Tegen hetgeen de rechtbank heeft overwogen inzake de functie met sbc-code 516180 zijn geen gronden gericht. Mede gelet op het verhandelde ter zitting houdt de Raad het ervoor, dat appellant in zoverre in de aangevallen uitspraak heeft berust.

In hoger beroep is derhalve uitsluitend aan de orde hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de opleidings- dan wel diploma-eisen, gesteld in de aan betrokkene voorgehouden functies met sbc-codes 315100 en 315170.

In het kader van de schatting heeft appellant aan betrokkene de volgende functies geduid: telefonist/receptionist (sbc-code 315120), administratief ondersteunend medewerker B (sbc-code 315100), telefonist/centralist (sbc-code 315170) en acquisiteur (advertenties, reclame)/verkoper (sbc-code 516180).

De Raad stelt vast dat in de door appellant gehanteerde arbeidsmogelijkhedenlijst bij de onder de sbc-code 315100 opgenomen functies is vermeld: “Opleiding: MBO-diploma (MBO-niveau 3).” Tevens stelt de Raad vast, dat betrokkene niet over een dergelijk diploma beschikt.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad, zoals neergelegd in onder andere zijn uitspraak van 10 maart 2006 (LJN: AV5467), kan een functie waarvoor een diploma-eis wordt gesteld niet aan een verzekerde worden opgedragen indien die verzekerde niet beschikt over het vereiste (of een daarmee tenminste gelijk te stellen) diploma. De Raad heeft daarbij overwogen dat een strikte diploma-eis niet kan worden gecompenseerd door een (andere) opleiding al dan niet aangevuld met een door de betrokken arbeidsdeskundige van belang geachte praktische ervaring, een en ander onder omstandigheden met uitzondering van een opleiding die in het verlengde ligt van de opleiding waarvoor een diploma wordt verlangd.

De Raad heeft in hetgeen door appellant is aangevoerd geen aanleiding gezien om in dit geval een uitzondering te maken op deze jurisprudentie. Dat het de arbeidsdeskundige zou zijn gebleken uit navraag bij de arbeidskundig analist van appellant, dat de opleiding en ervaring van betrokkene toereikend zijn voor de functies, doet er niet aan af dat de diploma-eis onverkort geldt. In dit verband heeft de Raad voorts geen betekenis kunnen toekennen aan hetgeen appellant heeft gesteld over de correctie in het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem, waarbij een dag na de datum in geding MBO-niveau 3 is gewijzigd in MBO-niveau 2. Dit doet immers evenmin af aan de gestelde diploma-eis die gold op de datum in geding. Voorts stelt de Raad, gelet op het verhandelde ter zitting vast, dat de door betrokkene behaalde twee deelcertificaten van de MEAO vanwege het Uwv zijn vergeleken met een MBO-diploma niveau 2. De Raad kan zich mitsdien verenigen met hetgeen de rechtbank terzake in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

In de arbeidsmogelijkhedenlijst is voorts bij de onder de sbc-code 315170 opgenomen functie vermeld: “Opleiding: VMBO-TL met engels”. Een diploma-eis wordt niet met zoveel woorden gesteld. Uit de namens appellant door de arbeidsdeskundige gegeven toelichting begrijpt de Raad, dat deze - om uit te sluiten dat bij vermelding van de opleidingsvereisten een fout is gemaakt - navraag heeft gedaan bij de betreffende werkgever en dat deze heeft bevestigd dat niet als vereiste geldt een diploma ‘VMBO-TL met engels’. De Raad is van oordeel, dat appellant hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat in het vermelde opleidingsvereiste geen diploma-eis ligt besloten. De Raad is op grond van de door de arbeidskundige verstrekte toelichting, zowel in zijn rapport van

10 juli 2006 als ter zitting, er voorts voldoende van overtuigd dat de betreffende functie de bekwaamheden van betrokkene niet overstijgt.

Op grond van het bovenstaande moet de Raad tot de conclusie komen, dat van de vier aan de schatting ten grondslag gelegde functies slechts twee functies resteren die aan betrokkene rechtens konden worden voorgehouden. Dit betekent dat de schatting niet voldoet aan het vereiste van minimaal drie te duiden functies, zoals dit gold in artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit, zoals dit gold ten tijde van de datum in geding.

De aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, komt mitsdien, zij het op enigszins gewijzigde gronden, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Lochs.

TM