Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0980

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-7331 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eigenaar woning. Erfenis. Intrekking en terugvordering bijstand. Afwijzing aanvraag om opnieuw bijstand te verstrekken in de vorm van een lening, wederom onder het verband van een krediethypotheek, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 203

Uitspraak

06/7331 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 november 2006, 05/3729 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. C. van Oosten, werkzaam bij Bureau Rechtsbescherming te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008. Voor appellant is verschenen drs. Van Oosten. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant is eigenaar van de door hem bewoonde woning. Hij ontvangt vanaf 1 januari 1996 bijstand berekend naar de norm voor een alleenstaande. Die bijstand werd hem tot een bedrag van f 30.250,-- (€ 13.726,85) verleend in de vorm van een geldlening. Daartoe is op de woning van appellant ten gunste van de gemeente Utrecht een hypotheek gevestigd tot het evengenoemde bedrag. Nadat de gehele kredietruimte was opgenomen, is appellant weer bijstand om niet verleend.

Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft het College in verband met de ontvangst door appellant van zijn erfenis diens recht op recht op bijstand over de periode van 25 oktober 1997 tot en met 14 mei 1999 en van 6 april 2003 tot en met 31 januari 2004 ingetrokken en van hem een bedrag groot € 22.128,01 teruggevorderd.

Bij voormeld besluit heeft het College, voor zover hier van belang, voorts een verzoek van appellant hem opnieuw bijstand te verstrekken in de vorm van een lening, wederom onder het verband van een krediethypotheek, afgewezen. Daarbij is overwogen dat er gelet op de overwaarde van de woning voldoende ruimte is tot het vestigen van een hypotheek bij een reguliere bank en dat appellant toestemming wordt verleend om een reguliere hypotheek te vestigen voor een bedrag dat hij maximaal bij een inkomen op bijstandsniveau kan afsluiten.

In het kader van het door appellant tegen het besluit van 25 augustus 2005 gemaakte bezwaar heeft hij te kennen gegeven dat hij voor de in het besluit van 29 augustus 2005 begrepen terugvordering en voor een schuld van ongeveer € 10.000,-- aan zijn familie in verband met overbedeling uit de erfenis een lening tot een bedrag van € 32.000,-- nodig heeft.

Bij besluit van 11 januari 2006 heeft het College het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 11 januari 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover hierbij het beroep ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Uit de stukken kan niet worden afgeleid wanneer appellant het verzoek tot het wederom vestigen van een krediethypotheek op zijn woning heeft ingediend. Appellant heeft in dit verband gesteld dat hij dit verzoek mondeling heeft gedaan. Bij brief van 10 oktober 2004 aan het College heeft appellant verwezen naar een bezwaarschrift van dezelfde datum inzake de door het College naar de opvatting van appellant veroorzaakte vertraging in de afhandeling van de nalatenschap. In die brief wordt ook gesproken over een voorstel om een hypotheek op de woning van appellant te vestigen. De Raad houdt het ervoor dat appellant enige tijd voor de genoemde brief een mondeling verzoek tot het vestigen van een krediethypotheek aan het College heeft gericht. Van concrete aanwijzingen dat hij dit verzoek reeds veel langer geleden had gedaan, is de Raad niet gebleken.

Gelet op het feit dat de kredietruimte van de op 15 oktober 1998 gevestigde hypotheek reeds geheel was gebruikt, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er geen sprake kan zijn van een verzoek tot verstrekken van een geldlening onder het verband van de reeds bestaande krediethypotheek, maar van een verzoek tot het vestigen van een nieuwe, tweede krediethypotheek gedaan na plaatsing van de Wet werk en bijstand (WWB) in het Staatsblad. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gelet op artikel 12, tweede lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand het College terecht heeft geoordeeld dat in dat geval de WWB van toepassing is.

De rechtbank heeft voorts als volgt overwogen, waar appellant is aangeduid als eiser en het College als verweerder:

“Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de WWB heeft de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.

Bij de beoordeling van eisers aanspraak op een krediethypotheek heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het vestigen van een hypotheek bij een reguliere financiële instelling niet mogelijk is. Verweerder heeft niet ten onrechte aangenomen dat eiser dat deel van de bijstandsuitkering dat normaliter is bestemd voor de betaling van de normhuur kan aanwenden ter voldoening van de lasten van een nieuwe hypotheek. De rechtbank ziet onvoldoende grond om te oordelen dat van eiser, mede gezien zijn gezondheidstoestand, niet kan worden gevergd bij reguliere financiële instellingen offertes op te vragen. De rechtbank acht daarbij van belang dat een hypotheek wordt gevestigd op de (over-)waarde van de woning van eiser, zodat niet op voorhand vaststaat dat eisers gezondheidstoestand in de weg zal staan aan het verstrekken van een hypotheek. Voor zover eiser het bezwaarlijk vindt om persoonlijke banken te benaderen, heeft zijn gemachtigde ter zitting aangegeven bereid te zijn dit voor eiser te doen. Voorts heeft verweerder ter zitting aangegeven dat het vestigen van de door eiser aangevraagde krediethypotheek niet op voorhand is uitgesloten, maar dat eiser eerst voldoende aannemelijk moet maken dat hij geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening in de vorm van een hypotheek bij een reguliere financiële instelling.”

De Raad kan zich hiermee geheel verenigen en maakt deze overwegingen tot de zijne. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft doen aanvoeren, heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht.

Appellant heeft voorts gesteld dat hij als gevolg van de lange procedure schade heeft geleden.

Voor zover appellant beoogt te stellen dat in dit geval sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) volgt de Raad appellant niet. Voor het aanvangen van die termijn dient ten minste een standpunt van het bestuursorgaan voorhanden te zijn dat de betrokkene aanleiding kan geven een geschil op te werpen. De Raad moet het ervoor houden dat de redelijke termijn in dit geval op 14 oktober 2005, de dag dat het College het door appellant tegen het besluit van 29 augustus 2005 gerichte bezwaarschrift heeft ontvangen, is aangevangen. Vervolgens heeft de procedure tot aan de datum van deze uitspraak circa twee jaar en zes maanden geduurd. Naar het oordeel van de Raad is een dergelijke periode voor de afhandeling van de zaak door het bestuursorgaan en de rechter (in twee instanties) niet zo lang dat moet worden gezegd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Van een vergoeding van schade wegens spanning en frustraties kan dan ook geen sprake zijn.

Appellant stelt voorts dat hij als gevolg van een en ander in 2006 een hersenbloeding heeft gehad en dat hij daarom een vergoeding eist van € 35.000,--. Voor zover appellant heeft bedoeld te stellen dat hij immateriële schade heeft geleden overweegt de Raad dat toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht eerst aan de orde kan komen indien sprake is van door de rechter geconstateerde onrechtmatigheid van het besluit. Nu hiervan gelet op het bovenstaande geen sprake is, is reeds daarom voor toekenning van appellants verzoek geen grond. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade moet dan ook worden afgewezen.

De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R. van der Spoel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar

AR030408