Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-5994 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Komt betrokkene in aanmerking voor toeslag voor inconveniënten (MRI-toeslag)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5994 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 september 2006, 05/2902 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

het college

Datum uitspraak: 17 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A.M. ten Brink, juridisch adviseur te Almere, en door Th.J. Kriek, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. A.J. Imthorn, advocaat te Amsterdam. Op verzoek van het college is als getuige gehoord [K.], werkzaam bij de gemeente Amsterdam (hierna: getuige K). Op verzoek van betrokkene is als getuige gehoord [F.], voorheen werkzaam bij de gemeente Amsterdam (hierna: getuige F).

II. OVERWEGINGEN

1. Anders dan de rechtbank, merkt de Raad niet de Commandant van de regionale brandweer Amsterdam en omstreken (ook wel: Commandant Brandweer Amsterdam; hierna: commandant) maar het college aan als het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen en in dit geschil als partij optreedt. Vast staat dat in dit geval de beslissingsbevoegdheid bij het college berustte. Voorts is genoegzaam gebleken dat de commandant heeft beoogd namens het college te handelen en daartoe krachtens mandaat bevoegd was. Weliswaar had de commandant uitdrukkelijk behoren te vermelden dat hij namens het college optrad, maar door het achterwege blijven van deze vermelding is betrokkene niet in zijn belangen geschaad.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Betrokkene was sinds 1974 werkzaam bij de (regionale) brandweer Amsterdam. Met ingang van 1 augustus 2000 is hij aangewezen als [naam functie], welke functie hij uitoefende in de uitrukdienst. Per 1 maart 2002 is hij, na overleg, op tijdelijke basis geplaatst bij het Brandweer Opleidingscentrum (BOC), waar hij de werkzaamheden van [functie 2] heeft verricht tot aan zijn FLO-ontslag op 1 maart 2005.

2.2. Op 20 januari 2005 heeft betrokkene bezwaar gemaakt tegen het feit dat hem geen toeslag voor inconveniënten (MRI-toeslag) werd toegekend. Dit bezwaar is aangemerkt als een verzoek om toekenning van zo’n toeslag op grond van de artikelen 403 en 431 van het Ambtenarenreglement Amsterdam in samenhang met het Besluit Methode voor het Rangordenen van Inconveniënten. Het verzoek is afgewezen bij besluit van 31 januari 2005 en na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 11 mei 2005.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank concludeerde dat niet voldoende is komen vast te staan of de feitelijke werkzaamheden van betrokkene al dan niet in aanmerking komen voor een MRI-toeslag en dat deze onduidelijkheid voor rekening van het college dient te komen.

3. Omtrent hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Naar aanleiding van het door betrokkene gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel is nader gebleken dat op 25 juni 1998 een Tijdelijke regeling aanstellingsvoorwaarden instructeurs (hierna: TR) is vastgesteld met het oog op het aanwerven van instructeurs voor (de voorganger van) het BOC. Uit de TR en de daarbij behorende brief aan de voorzitter van de ondernemingsraad van 6 juli 1998 komt naar voren dat met deze regeling is beoogd te voorzien in een bestaand tekort aan instructeurs, door het voor bevelvoerders van de uitrukdienst aantrekkelijker te maken om op tijdelijke basis naar het BOC over te stappen. Daartoe is onder meer bepaald dat te plaatsen instructeurs hun anciënniteit en bezoldiging behouden en daar bovenop - zonder specifieke toetsing van de uit te voeren werkzaamheden - een MRI klasse 2 krijgen.

3.2. Met het college stelt de Raad vast dat betrokkene strikt genomen niet behoort tot de doelgroep van de TR, nu hij niet de hoedanigheid van bevelvoerder bezit en evenmin beschikt over het in de TR voorgeschreven instructeursdiploma. Om die reden moet hij zich beperken tot de rijopleiding en is hij voor andere onderdelen van de opleiding aan het BOC niet inzetbaar.

3.3. De Raad acht deze verschillen echter niet van zodanig gewicht dat toekenning van een MRI-toeslag, met (overeenkomstige) toepassing van de TR, op grond daarvan achterwege had mogen blijven. De gedingstukken maken aannemelijk dat betrokkene voor de overstap naar het BOC is benaderd omdat het tekort aan instructeurs nog steeds niet was weggewerkt en binnen de groep bevelvoerders blijkbaar - ondanks de toeslag - onvoldoende animo bestond. Aldus was de overstap geheel in lijn met het doel en de strekking van de TR. Dat bij betrokkene wellicht ook persoonlijke motieven een rol hebben gespeeld, doet hieraan niet af. Voorts is in de TR uitdrukkelijk geregeld dat bij het aanwerven van instructeurs rekening wordt gehouden met een bepaald profiel, waarmee men bijvoorbeeld de nadruk kan leggen op een instructeur voor middenkader-opleidingen, voor basisopleidingen, voor rijopleidingen enzovoorts. Tegen deze achter-grond kan aan de beperking van de inzetbaarheid van betrokkene tot het geven van rij-instructie geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Een zelfde beperking in de aard van de werkzaamheden kan blijkens de TR ook optreden bij een bevelvoerder die wèl over de vereiste diploma’s beschikt, doch de MRI-toeslag kan dan niet om die reden worden geweigerd. Nu het gaat om een inconveniëntentoeslag, welke naar zijn aard is bestemd voor het compenseren van daadwerkelijk ondervonden bezwarende omstandigheden, kan een enkel verschil in opleidingsniveau - bij overigens gelijke werkzaamheden - dit verschil in behandeling niet rechtvaardigen. Dit verschil in opleidingsniveau komt immers reeds tot uitdrukking in de voor betrokkene geldende salarisgroep.

3.4. De stelling van het college dat men in de rijopleiding niet of nauwelijks met bezwarende werkomstandigheden te maken krijgt, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat zij niet kan verklaren waarom rijinstructeurs die bevelvoerder zijn dan wel onder de TR vallen, is deze stelling niet in overeenstemming te brengen met de feiten. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, waaronder de verklaring van de getuige F, is de Raad ervan overtuigd geraakt dat de rijopleiding aan het BOC zich niet beperkt tot rijvaardigheidstraining, doch betrekking heeft op alle facetten van de omgang met de blusvoertuigen, die zoveel mogelijk onder nabootsing van de werkelijkheid worden geoefend. Dat daarbij bezwarende werkomstandigheden optreden, is alleszins aannemelijk geworden. Voor zover uit de verklaringen van de getuige K iets anders zou moeten worden afgeleid, komt daaraan minder betekenis toe dan aan de verklaringen van de getuige F. Laatstgenoemde oefende immers zelf ook de bedoelde werkzaamheden uit aan het BOC, terwijl de getuige K veeleer organisatorische taken verrichtte en destijds kantoor hield op een locatie elders in de gemeente Amsterdam. De door het college overgelegde MRI-rapporten uit 2004 en 2006 berusten, naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, op onvoldoende onderzoek naar de feitelijk verrichte werkzaamheden en leggen daarom geen gewicht in de schaal.

3.5. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak dient, deels op andere gronden, te worden bevestigd.

3.6. Bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar dient het college (mede) de overwegingen van de Raad in acht te nemen.

4. De Raad acht termen aanwezig om het college met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan betrokkene in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede van een bedrag groot € 13,76 aan reiskosten voor betrokkene en € 17,30 aan reiskosten voor de getuige F in hoger beroep, in totaal derhalve € 675,06.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 675,06, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat met toepassing van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet van de gemeente Amsterdam een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD