Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0970

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-4083 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering verhoging op de aan betrokkene uitgekeerde paraatheidstoeslag toe te passen. Het betreft specifieke wijziging van andere paraatheids-regeling die niet van toepassing is op de functie van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4083 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 28 juni 2006, 05/464 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Drenthe, als rechtsopvolger van het Dagelijks Bestuur van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zuidwest-Drenthe, (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door H.C. Mertens, juridisch adviseur bij het Juridisch Adviesbureau Kragten & Partner te Hoogeveen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn bestuurslid drs. A. Damming.

II. OVERWEGINGEN

1. Hierna wordt onder het bestuur mede begrepen de rechtsvoorganger van het Dagelijks Bestuur van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Drenthe. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was tot 1 februari 2001 [functie] van de GGD Zuidwest-Drenthe (hierna: GGD). Op 26 februari 2001 is door het bestuur met appellant een overeenkomst gesloten op grond waarvan appellant, die reeds geruime tijd zijn functie niet uitoefende, werd geplaatst in de functie van [functie 2]. Voorts bevat deze overeenkomst bepalingen omtrent de financiƫle aanspraken van appellant tot aan het door hem te nemen FPU-ontslag en een inkomensgarantie tijdens de FPU-periode. De op grond van de door het bestuur op 14 november 1991 vastgestelde Vergoedingsregeling Paraatheidstoeslag Rampenbestrijding aan appellant toegekende paraatheidstoeslag maakte ook deel uit van dit gegarandeerde inkomen.

1.2. In 2004 heeft appellant aan het bestuur verzocht om een algemene wijziging, zijnde een verhoging per 1 januari 2001, van deze toeslag ook op de hem uitgekeerde paraatheidstoeslag toe te passen.

1.3. Bij het met het bestreden besluit van 7 april 2005 gehandhaafde besluit van 3 november 2004 heeft het bestuur dit verzoek afgewezen op de grond dat de door appellant bedoelde wijziging van de paraatheidsregeling geen algemene wijziging van de Vergoedingsregeling is, maar een specifieke wijziging van een andere paraatheids-regeling die niet van toepassing is op de functie die appellant als [functie] van de GGD had.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. In de overeenkomst van 26 februari 2001 tussen het bestuur en appellant is bepaald dat de rechtspositie van appellant, waaronder uitdrukkelijk ook begrepen de bezoldiging, inclusief de paraatheidstoeslag, gelijk is aan die welke hij genoot op de dag voor de ontheffing/herplaatsing; inclusief zoals deze in algemene zin mochten wijzigen. Appellant heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de paraatheidstoeslag is gewijzigd van een bedrag van f 476,- per maand in een bedrag van f. 1.260,75 per maand per 1 januari 2001 en in f 1.302,35 per maand per 1 mei 2001 en dat deze verhoging hem ten onrechte onthouden is.

3.2. De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat met ingang van 1 juli 2000 in werking is getreden de gemeenschappelijke regeling Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (hierna: GHOR). Het bestuur van dit openbaar lichaam heeft in de vergadering van 13 december 2000 besloten om de Vergoedingsregeling piketdienst beroepsbrandweer, die gold voor de Regionale Brandweer Drenthe, van overeenkomstige toepassing te verklaren op de piketdiensten van de GHOR. Deze maandelijkse vergoeding van f 1.260,75 is ingaande 2001 door de GHOR toegekend aan een aantal door de GHOR aangewezen functionarissen, die daadwerkelijk een functie vervulden in de GHOR-organisatie. Appellant behoorde hier niet toe.

3.3. Met het bestuur en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door de GHOR voor haar functionarissen vastgestelde vergoedingsregeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging in algemene zin van de voor appellant bij de GGD Zuidwest-Drente geldende vergoedingsregeling ter zake van paraatheid. Aan de met het bestuur gesloten overeenkomst kon appellant dan ook geen aanspraak ontlenen op de door een ander openbaar lichaam, de GHOR, aan haar medewerkers toegekende vergoedingen. Uit niets blijkt dat, zoals door appellant is gesteld, de GHOR onder de verantwoordelijkheid van de GGD Drenthe valt. De GHOR is, evenals de GGD Drenthe, een zelfstandig openbaar lichaam, een samenwerkingsverband van gemeenten, waaraan de GGD niet deelneemt. De omstandigheid dat het bestuur van de GHOR in haar organisatie mede gebruik maakt van functionarissen, die in dienst zijn van de GGD, maakt dit niet anders. Anders dan appellant meent werken beslissingen van de GHOR niet rechtstreeks door in de rechtspositie van het personeel van de GGD.

4. Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand gelaten, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en B.M. van Dun en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD