Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-3612 + 06-4133 + 07-3556 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAZ-uitkering. Bij nader besluit alsnog ongewijzigd voortgezet. Nieuwe medische bevindingen niet van invloed op datum in geding. Wettelijke rente over nabetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3612 + 06/4133 + 07/3556 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)

en

[betrokkene],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 juni 2006, 05/2906 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 22 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Eindhoven, eveneens hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.G. Bombeeck. Voor betrokkene is mr. Keller voornoemd verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 4 april 2005 heeft het Uwv de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 1 juni 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Dit besluit berust op het standpunt dat betrokkene op 1 juni 2005, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteerde volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 35 tot 45%.

Namens betrokkene is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 31 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en aan het Uwv opgedragen om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen. Voorts is het Uwv daarbij veroordeeld om de proceskosten van betrokkene en het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de beperkingen van betrokkene tot het verrichten van arbeid, zoals neergelegd in de (kritische) functionele mogelijkhedenlijst, niet zijn onderschat. Met betrekking tot de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank geoordeeld dat aan bestreden besluit 1, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een deugdelijke motivering ontbreekt. In de aangevallen uitspraak, waarin betrokkene is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, heeft de rechtbank aan dit oordeel de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:

“Verweerder heeft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit gebaseerd op de tweede release van het CBBS. Op de zich onder de gedingstukken bevinden formulieren ‘resultaat functiebeoordeling’ zijn bij de geduide functies ‘G’’s vermeld. Op de eerste pagina van het formulier ‘resultaat functiebeoordeling’ is over de ‘G’ het volgende vermeld:

“Een ‘G’ geeft aan dat is vastgesteld dat de belasting in de functie valt binnen de door de verzekeringsarts in de rapportage of toelichting op de FML aangegeven mogelijkheden inclusief de interpretatieruimte van de FML. Daarom word bij een ‘G’ geen nadere motivering gegeven over de geschiktheid, ondanks dat de belasting in de functie hoger kan zijn dan de vermelde waarde op de FML.”

Uit het vorenstaande maakt de rechtbank op dat de arbeidskundige bij het veranderen van de ‘M’ in een ‘G’ geen nadere motivering geeft met betrekking tot de vraag of de belasting in de functie valt binnen de door de verzekeringsarts in de rapportage of de (toelichting op de) FML aangegeven mogelijkheden.

De rechtbank is van oordeel dat, wegens het ontbreken van een nadere motivering bij voormelde ‘G’’s, de tweede release van het CBBS niet voldoet aan een als een toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid van een schattingsbesluit in een concreet geval.”

Beide partijen zijn tegen de aangevallen uitspraak in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep van het Uwv richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige motivering van bestreden besluit 1 en het hoger beroep van betrokkene richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de medische aspecten van de arbeidsongeschiktheidsschatting.

Bij besluit van 14 juni 2007 (hierna: bestreden besluit 2) is het Uwv van zijn standpunt teruggekomen en heeft het bezwaar van betrokkene alsnog gegrond verklaard en de mate van zijn arbeidsongeschiktheid vanaf 1 juni 2005 ongewijzigd vastgesteld op 45 tot 55%. Daarbij is tevens besloten om de door betrokkene in de bezwaarprocedure gemaakte kosten te vergoeden tot een bedrag van € 322,-. Dit gewijzigde standpunt van het Uwv berust op het volgende. Naar aanleiding van de uitspraak van deze Raad van 2 maart 2007 (LJN AZ9652) over de maximering van de urenomvang van de maatman is een nieuw arbeidskundig onderzoek verricht. Daarnaast heeft het Uwv de motivering van de geduide functies aangepast naar aanleiding van de uitspraken van de Raad over het aangepaste CBBS van 12 oktober 2006 (LJN AY9971) en 23 februari 2007 (LJN AZ9153).

De bezwaararbeidsdeskundige concludeert in een rapport van 7 mei 2007 dat de functies onveranderd passend zijn voor betrokkene maar dat door een gewijzigde berekening van het maatmaninkomen en het mediane loon de mate van arbeidsongeschiktheid in een hogere klasse uitkomt, te weten 45 tot 55% in plaats van 35 tot 45%.

Bestreden besluit 2 komt niet volledig tegemoet aan de bezwaren van betrokkene omdat betrokkene meent vanwege zijn lichamelijke en psychische beperkingen volledig arbeidsongeschikt te zijn.

Ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb wordt het beroep van betrokkene geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

Hoger beroep Uwv

Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv bij bestreden besluit 2 is teruggekomen van zijn standpunt zoals dat was neergelegd in bestreden besluit 1. Daarmee heeft het Uwv alsnog berust in de aangevallen uitspraak en uitvoering gegeven aan de in die uitspraak neergelegde opdracht tot het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv verklaard de grieven niet te handhaven en verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Gezien het voorgaande is de Raad van oordeel dat aan het hoger beroep van het Uwv het procesbelang is komen te ontvallen. Het hoger beroep van het Uwv dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Hoger beroep betrokkene

Het hoger beroep van betrokkene richt zich tegen de medische beoordeling die aan de arbeidsongeschiktheidsschatting ten grondslag ligt. Het Uwv heeft wel een aantal lichamelijke en psychische beperkingen aangenomen, maar volgens betrokkene zijn de beperkingen onderschat. De klachten die voortvloeien uit de whiplash en uit de ziekte ITP, een ziekte die verband houdt met een tekort aan bloedplaatjes in het lichaam, zijn nog altijd aanwezig. Voorts is er volgens betrokkene ten onrechte geen rekening gehouden met de ernstige gewrichts- c.q. kraakbeenklachten die hij ondervindt. Die klachten zijn volgens hem door de behandelende sector nooit serieus genomen omdat daarvoor geen medische verklaring was te vinden. Het Uwv en de rechtbank hebben ten onrechte geoordeeld dat deze klachten geen rechtstreeks verband houden met een objectief medisch vast te stellen ziekte of gebrek. Ook is aangevoerd dat betrokkene, als gevolg van zijn vele lichamelijke klachten, ernstiger beperkt is op het terrein van het persoonlijk en sociaal functioneren dan door het Uwv is aangenomen.

Namens betrokkene zijn in hoger beroep een aantal medische stukken overgelegd, waaronder een brief van 10 augustus 2006 van de reumatoloog dr. M.C.G.S. Jacobs die, op basis van een door haar verricht onderzoek, tot de conclusie komt dat er nog geen definitieve diagnose kan worden gesteld, maar dat er mogelijk sprake is van een reumatische ziekte. Hieruit kan volgens de gemachtigde van betrokkene worden geconcludeerd dat alsnog is gebleken dat de gewrichtsklachten berusten op een objectiveerbare ziekte.

De Raad oordeelt als volgt.

De bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes heeft in een rapport van 8 december 2006 een reactie gegeven op de brief van de reumatoloog Jacobs. De bezwaarverzekeringsarts merkt op dat er weliswaar sprake is van nieuwe gegevens, met name afwijkende laboratoriumuitslagen, maar dat die gegevens geen betrekking hebben op de datum in geding 1 juni 2005. Enkele maanden voor die datum is onderzoek verricht door een internist en toen waren er geen aanwijzingen voor een reumatische aandoening. De reumafactoren waren toen negatief. De nieuwe gegevens hebben daarom geen invloed op de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 juni 2005.

De Raad onderschrijft de zienswijze van de bezwaarverzekeringsarts dat de bevindingen van de reumatoloog geen betrekking hebben op de datum in geding. Die bevindingen behoeven dan ook niet te leiden tot een aanpassing van de op die datum geldende beperkingen.

Ten aanzien van de overige klachten van betrokkene is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat daarmee in de functionele mogelijkhedenlijst voldoende rekening is gehouden.

De Raad is voorts van oordeel dat met de door het Uwv in hoger beroep gegeven aanvullende motivering bij de uit het CBBS geselecteerde functies alsnog aan de daarvoor geldende eisen is voldaan.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad merkt hierbij op dat de opdracht aan het Uwv om een nieuw besluit te nemen al tot uitvoering is gebracht in de vorm van bestreden besluit 2.

Ten aanzien van het beroep van betrokkene voorzover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 overweegt de Raad het volgende.

Zoals hiervoor is overwogen onderschrijft de Raad de juistheid van het door het Uwv nader ingenomen standpunt dat betrokkene vanaf 1 juni 2005 moet worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%. De Raad constateert echter dat het Uwv verzuimd heeft om in bestreden besluit 2 een beslissing te nemen op het verzoek van betrokkene om hem een schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente toe te kennen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het verzoek om vergoeding van wettelijke rente afgewezen omdat niet op voorhand viel uit te sluiten dat het Uwv bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar tot de conclusie zou komen dat betrokkene onveranderd blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Nu betrokkene bij bestreden besluit 2 in de klasse 45 tot 55% is ingedeeld moet hem de wettelijke rente over de nabetaling van de uitkering worden toegekend. De Raad zal hierin, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid Awb, zelf voorzien door te bepalen dat het Uwv de wettelijke rente aan betrokkene moet voldoen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van betrokkene voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 gegrond moet worden verklaard en dat dit besluit moet worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 in stand kunnen blijven, met dien verstande dat de Raad de gevorderde schadevergoeding toewijst zoals hiervoor is aangegeven.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep van het Uwv niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van betrokkene voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 14 juni 2007 gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Lochs.

JL